Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK V

Artikel 34

Artikel 34

Onderdeel van Verdrag betreffende internationale tentoonstellingen· Cultureel recht

Deze tekst geldt sinds 9 juni 1980

1. Elk geschil tussen twee of meer Verdragsluitende Partijen betreffende de toepassing of de uitlegging van dit Verdrag dat niet kan worden geregeld door de autoriteiten die met beslissende bevoegdheid zijn bekleed ter zake van de toepassing van dit Verdrag, wordt een voorwerp van onderhandelingen tussen de Partijen bij het geschil. 2. Indien deze onderhandelingen niet tot overeenstemming op korte termijn leiden, verwittigt een van de Partijen de Voorzitter van het Bureau en vraagt hem een bemiddelaar te benoemen. Indien vervolgens deze bemiddelaar geen overeenstemming tussen de Partijen bij het geschil tot stand weet te brengen, beschrijft hij in zijn verslag aan de Voorzitter de aard en de omvang van het geschil. 3. Wanneer het gebrek aan overeenstemming op deze wijze is geconstateerd, wordt het geschil voorwerp van arbitrage. Te dien einde doet een van de Partijen binnen een termijn van twee maanden te rekenen van de datum van overlegging van het rapport aan de Partijen bij het geschil, de Secretaris-Generaal van het Bureau een verzoek om arbitrage toekomen, onder vermelding van de door haar gekozen scheidsman. De andere Partij of de andere Partijen bij het geschil dienen elk binnen een termijn van twee maanden hun respectieve scheidsman aan te wijzen. Indien zij in gebreke blijven, verwittigt een der Partijen de President van het Internationaal Gerechtshof en verzoekt hem de scheidsman of de scheidslieden aan te wijzen. Wanneer verschillende Partijen hun zaak vereenzelvigen, dan gelden zij voor de toepassing van het bepaalde in het voorafgaande lid slechts als een enkele Partij. In geval van twijfel beslist de Secretaris-Generaal. De scheidslieden benoemen op hun beurt een voorzitter van het scheidsgerecht. Indien de scheidslieden het over deze keuze niet eens kunnen worden binnen een termijn van twee maanden, voorziet de daarvan door een van de Partijen verwittigde President van het Internationaal Gerechtshof hierin. 4. Het scheidsgerecht neemt zijn beslissing bij meerderheid van stemmen van de leden, waarbij de stem van de voorzitter van het scheidsgerecht doorslaggevend is ingeval de stemmen staken. De uitspraak van het scheidsgerecht is voor alle Partijen bij het geschil definitief en niet vatbaar voor beroep. 5. Elke Staat kan op het tijdstip van ondertekening of bekrachtiging van dit Verdrag of van toetreding tot dit Verdrag, verklaren dat hij zich niet gebonden acht door het bepaalde in de leden 3 en 4. De andere Verdragsluitende Partijen zijn tegenover iedere Staat die een zodanig voorbehoud heeft gemaakt, niet door de genoemde bepalingen gebonden. 6. Iedere Verdragsluitende Partij die een voorbehoud heeft gemaakt overeenkomstig het bepaalde in het voorgaande lid, kan op elk moment dit voorbehoud intrekken door middel van een daartoe strekkende kennisgeving, gericht aan de depositaris.

Rechtspraak bij dit artikel