**1.** Ieder schepeling, die tijdens de duur van de arbeidsovereenkomst of bij het eind daarvan in het buitenland ontscheept is, heeft recht op vervoer hetzij naar zijn land, hetzij naar de haven, waar de arbeidsovereenkomst aangegaan werd, hetzij naar de haven, waar de reis is aangevangen, overeenkomstig de bepalingen van de nationale wet, welke de nodige voorschriften dienaangaande moet geven en in het bijzonder moet vaststellen, te wiens laste de kosten van repatriëring komen.
**2.** De repatriëring wordt als voldoende verzekerd beschouwd, indien de schepeling een behoorlijke betrekking wordt verschaft aan boord van een schip, dat zich begeeft naar een der bestemmingsplaatsen, bedoeld in het vorig lid.
**3.** Als gerepatrieerd wordt beschouwd de schepeling, die ontscheept is hetzij in zijn eigen land, hetzij in de haven waar de overeenkomst aangegaan werd of in een naburige haven, hetzij in de haven, waar de reis is aangevangen.
**4.** De nationale wet of, bij gebreke van wettelijke bepalingen, de arbeidsovereenkomst zal de voorwaarden vaststellen, waaronder de vreemde schepeling die aan boord gekomen is in een ander land dan het zijne, recht heeft op repatriëring. De bepalingen van de vorige leden blijven echter van toepassing op de schepeling aan boord gekomen in zijn eigen land.
De wijziging is in werking getreden op 15 januari 1948 (Trb. 1957/181).
Artikel 3
Artikel 3
Onderdeel van Verdrag betreffende repatriëring van schepelingen· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 5 mei 1948