Naar hoofdinhoud

DEEL II

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 2 mei 1951

1. De vloeren, bordessen, gangen en trappen moeten: zodanig gemaakt zijn, dat geen deel daarvan in sterke mate of ongelijkmatig kan doorbuigen; zodanig gemaakt en onderhouden zijn, dat, rekening houdende met de bestaande omstandigheden, het gevaar voor struikelen of uitglijden van personen zoveel mogelijk verminderd wordt; vrij van elke onnodige versperring gehouden worden. 2. In het geval dat vloeren, bordessen, gangen, arbeidsplaatsen en trappen op een hoogte gelegen zijn, welke een bepaalde grens, door de nationale wetgeving vast te stellen, te boven gaat: moet elke vloer, elk bordes en elke gang voorzien zijn van aan elkaar sluitende planken, behalve in het geval, dat andere doelmatige maatregelen, om de veiligheid te verzekeren, genomen zijn; moet elke vloer of bordes en elke gang een voldoende breedte hebben; moet elke vloer of bordes, elke gang, elke arbeidsplaats en elke trap doelmatig zijn beschut.

Rechtspraak bij dit artikel