**1.** De vloeren, bordessen, gangen en trappen moeten:
zodanig gemaakt zijn, dat geen deel daarvan in sterke mate of ongelijkmatig kan doorbuigen;
zodanig gemaakt en onderhouden zijn, dat, rekening houdende met de bestaande omstandigheden, het gevaar voor struikelen of uitglijden van personen zoveel mogelijk verminderd wordt;
vrij van elke onnodige versperring gehouden worden.
**2.** In het geval dat vloeren, bordessen, gangen, arbeidsplaatsen en trappen op een hoogte gelegen zijn, welke een bepaalde grens, door de nationale wetgeving vast te stellen, te boven gaat:
moet elke vloer, elk bordes en elke gang voorzien zijn van aan elkaar sluitende planken, behalve in het geval, dat andere doelmatige maatregelen, om de veiligheid te verzekeren, genomen zijn;
moet elke vloer of bordes en elke gang een voldoende breedte hebben;
moet elke vloer of bordes, elke gang, elke arbeidsplaats en elke trap doelmatig zijn beschut.
DEEL II
Artikel 8
Artikel 8
Onderdeel van Verdrag betreffende de veiligheidsvoorschriften in het bouwbedrijf· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 2 mei 1951