Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Voorwaarden voor overbrenging

Onderdeel van Verdrag inzake de overbrenging van gevonniste personen tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Cuba· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 6 april 2017

1. De gevonniste persoon kan overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag, slechts onder de volgende voorwaarden worden overgebracht: indien hij onderdaan is van de partij op het grondgebied waarvan de veroordeling ten uitvoer dient te worden gelegd; indien het desbetreffende strafbare feit niet van politieke of strikt militaire aard is of gericht was tegen de staatsveiligheid; indien het vonnis onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar is; indien hij op het tijdstip van ontvangst van het verzoek om overbrenging nog ten minste zes maanden van de veroordeling moet ondergaan; indien het handelen of nalaten op grond waarvan de veroordeling werd uitgesproken een strafbaar feit oplevert naar het recht van de staat van tenuitvoerlegging of een strafbaar feit zou opleveren indien dit op zijn grondgebied zou zijn gepleegd; indien hij instemt met de overbrenging; indien hij voldaan heeft aan alle financiële verplichtingen die voortvloeien uit de veroordeling of ten genoegen van de staat van veroordeling heeft aangetoond niet aan dergelijke verplichtingen te kunnen voldoen; dit is niet van toepassing op gevonniste personen die afdoende hebben aangetoond minvermogend te zijn; en indien de staat van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging instemmen met de overbrenging. 2. In uitzonderingsgevallen kunnen de staat van veroordeling en de staat van tenuitvoerlegging zich akkoord verklaren met een overbrenging zelfs wanneer de duur van het alsnog door de gevonniste persoon te ondergane gedeelte van de veroordeling korter is dan die welke in het eerste lid, onderdeel d), is vermeld.

Rechtspraak bij dit artikel