De Hooge Verdragsluitende Partijen komen overeen, dat alle geschillen, welke tusschen haar zouden kunnen rijzen ten aanzien van de uitlegging of de toepassing van dit Verdrag, indien zij niet door rechtstreeksche onderhandelingen geregeld kunnen worden, ter beslissing aan het Permanente Hof van Internationale Justitie zullen worden voorgelegd. Indien de Hooge Verdragsluitende Partijen, tusschen welke een geschil rijst, of één harer, geen partij zijn bij het den datum van 16 December 1920 dragende Protocol met betrekking tot het Permanente Hof van Internationale Justitie, zal dit geschil met haar goedvinden en overeenkomstig de constitutioneele regels van ieder harer worden verwezen hetzij naar het Permanente Hof van Internationale Justitie, hetzij naar een overeenkomstig het Verdrag van 18 October 1907 in zake de vreedzame beslechting van internationale geschillen samengesteld scheidsgerecht, hetzij naar eenig ander scheidsgerecht.
Deel II
Artikel 19
Artikel 19
Onderdeel van Verdrag ter bestrijding van de valsemunterij· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 29 juli 1932