Op het oogenblik van onderteekening van het Verdrag hetwelk de dagteekening draagt van heden, verklaren de ondergeteekende Gevolmachtigden ten aanzien van de verschillende bepalingen van het Verdrag de hieronder uiteengezette uitleggingen te aanvaarden.
Het is wel verstaan:
Dat de vervalsching van een op een bankbiljet geplaatsten stempel, waarvan het gevolg is dit in een bepaald land geldig te maken, als een vervalsching van het biljet zal worden beschouwd.
Dat het Verdrag geen inbreuk maakt op het recht der Hooge Verdragsluitende Partijen om in haar binnenlandsche wetgeving naar eigen goedvinden de beginselen, volgens welke een lichter vonnis dan wel geen vonnis kan worden opgelegd, alsmede het recht van gratie en dat van amnestie te regelen.
Dat de in artikel 4 van het Verdrag vervatte regel geenerlei wijziging medebrengt van de binnenlandsche regels, die de straffen vaststellen in geval van samenloop van strafbare feiten. Deze regel verzet zich niet er tegen, dat hetzelfde individu, hetwelk tegelijk de vervalscher en de uitgever is, slechts als vervalscher vervolgd wordt.
Dat de Hooge Verdragsluitende Partijen slechts gehouden zijn de rogatoire commissiën uit te voeren binnen de door nationale wetgeving gestelde grenzen.
Artikel I
Uitleggingen.
Onderdeel van Protocol bij het Verdrag ter bestrijding van de valsemunterij· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 29 juli 1932