Naar hoofdinhoud

Artikel II

Voorbehouden.

Onderdeel van Protocol bij het Verdrag ter bestrijding van de valsemunterij· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 29 juli 1932

De Hooge Verdragsluitende Partijen, die de hieronder vermelde voorbehouden maken, maken daarvan haar aanvaarding van het Verdrag afhankelijk; haar deelneming onder deze voorbehouden wordt door de andere Hooge Verdragsluitende Partijen aanvaard. De Regeering van Britsch-Indië maakt het voorbehoud, dat artikel 9 niet van toepassing is op Britsch-Indië, waar het niet binnen de bevoegdheden van de wetgevende macht valt den bij dit artikel gestelden regel uit te vaardigen. In afwachting van den afloop van de onderhandelingen betreffende de afschaffing van de consulaire rechtsmacht, waarvan de onderdanen van zekere Mogendheden nog in het genot zijn, is het voor de Chineesche Regeering niet mogelijk artikel 10 te aanvaarden, dat de algemeene verbintenis voor een regeering inhoudt de uitlevering van een door een derden Staat van valsche munterij beschuldigden vreemdeling toe te staan. Met betrekking tot de bepalingen van artikel 20 behoudt de afvaardiging van de Unie van Socialistische Sowjet Republieken zich voor haar Regeering de bevoegdheid voor om, indien zij dit wenscht, de akte van haar bekrachtiging aan een anderen Staat-onderteekenaar te richten, opdat deze er van afschrift aan den Secretaris-Generaal van den Volkenbond overlegge ter kennisgeving aan alle Staten, die onderteekend hebben of toegetreden zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel