Naar hoofdinhoud
(1). Componisten van muziekwerken hebben het uitsluitend recht toe te stemmen in: 1°. de bewerking van die werken voor instrumenten, dienende tot een werktuigelijke uitvoering daarvan; 2°. de openbare opvoering dier werken door middel van zoodanige instrumenten. (2). Voorbehoud en voorwaarden met betrekking tot de toepassing van dit artikel kunnen door de binnenlandsche wetgeving van ieder land, voor zoover het dit land zelf aangaat, worden vastgesteld; maar de werking van alle voorbehoud en alle voorwaarden van dezen aard zal strikt beperkt blijven tot het land dat ze gesteld heeft. (3). Het voorschrift van lid 1 heeft geen terugwerkende kracht en is bijgevolg niet in een der landen van het Verbond toepasselijk op werken, die in dat land reeds op geoorloofde wijze zijn bewerkt voor mechanische werktuigen vóór het in werking treden van het op 13 November 1908 te Berlijn geteekende Verdrag en, wanneer het een land mocht gelden, dat sinds dien datum tot het Verbond mocht zijn toegetreden of nog zal toetreden, vóór den dag van die toetreding. (4). De bewerkingen krachtens het tweede en derde lid van dit artikel gemaakt en zonder machtiging der belanghebbenden ingevoerd in een land waar zij niet geoorloofd zijn, zullen daar inbeslag kunnen worden genomen.

Rechtspraak bij dit artikel