Naar hoofdinhoud

Artikel 9

Lozingen

Onderdeel van Verdrag van Minamata inzake kwik· Agrarisch recht

Deze tekst geldt sinds 16 augustus 2017

1. Dit artikel heeft betrekking op het beheersen en, waar mogelijk, verminderen van lozingen van kwik en kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, in de bodem en het water door relevante puntbronnen die niet in andere bepalingen van dit Verdrag aan de orde komen. 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder: „lozingen”: lozingen van kwik of kwikverbindingen in de bodem of het water; „relevante bron”: elke wezenlijke antropogene bron van puntlozingen die door een partij wordt geïdentificeerd en die niet in andere bepalingen van dit Verdrag aan de orde komt; „nieuwe bron”: elke relevante bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt na het verstrijken van ten minste een jaar na de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag voor de betrokken partij; „ingrijpende wijziging”: een wijziging van een relevante bron die leidt tot een wezenlijke toename van lozingen, uitgezonderd veranderingen van lozingen die het gevolg zijn van de terugwinning van bijproducten. Het is aan de partij te beslissen of een wijziging al dan niet ingrijpend is; „bestaande bron”: elke relevante bron die geen nieuwe bron is; „grenswaarde voor lozingen”: de maximale concentratie of massa kwik of kwikverbindingen, vaak uitgedrukt als „totaal kwik”, die door een puntbron wordt geloosd. 3. Elke partij identificeert uiterlijk drie jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt en daarna op regelmatige basis, de relevante categorieën puntbronnen. 4. Een partij met relevante bronnen neemt maatregelen om lozingen te beheersen en kan een nationaal plan opstellen waarin de maatregelen worden beschreven die worden genomen om lozingen te beheersen en de verwachte streefcijfers, doelstellingen en uitkomsten. De plannen worden ingediend bij de Conferentie van de partijen binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van het Verdrag voor die partij. Indien een partij een uitvoeringsplan ontwikkelt in overeenstemming met artikel 20, kan de partij daarin het plan dat ingevolge dit lid is opgesteld opnemen. 5. De maatregelen omvatten, in voorkomend geval, een of meer van de volgende: grenswaarden voor lozingen om lozingen uit relevante bronnen te beheersen en, waar mogelijk, te verminderen; het gebruik van de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken om lozingen uit relevante bronnen te beheersen; een beheersingsstrategie voor meerdere vervuilende stoffen die bijkomende voordelen oplevert bij de beheersing van kwiklozingen; alternatieve maatregelen om lozingen uit relevante bronnen te verminderen. 6. Elke partij stelt, zo snel als praktisch mogelijk is en uiterlijk vijf jaar na de datum waarop het Verdrag voor haar in werking treedt, een inventaris op van de lozingen uit relevante bronnen en houdt deze daarna bij. 7. De Conferentie van de partijen neemt, zo snel als praktisch mogelijk is, richtlijnen aan voor: de beste beschikbare technieken en de beste milieupraktijken, rekening houdend met verschillen tussen nieuwe en bestaande bronnen en de noodzaak effecten op alle milieucompartimenten te minimaliseren; de methode voor het inventariseren van lozingen. 8. Elke partij neemt informatie over de toepassing van dit artikel op in de verslagen die zij ingevolge artikel 21 indient, met name informatie over de maatregelen die zij genomen heeft in overeenstemming met het derde tot en met het zesde lid en de effectiviteit van de maatregelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel