Naar hoofdinhoud

DEEL II

Artikel XI

Algemene afschaffing van kwantitatieve beperkingen

Onderdeel van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel· Financieel en economisch recht

1. Behalve rechten, belastingen of andere heffingen mag geen verdragsluitende partij enig verbod of enige beperking, toegepast hetzij door middel van contingenten of invoer- of uitvoervergunningen, hetzij door middel van andere maatregelen, opleggen of handhaven op de invoer van een produkt van oorsprong uit het grondgebied van een andere verdragsluitende partij of op de uitvoer of verkoop ten uitvoer van een produkt dat voor het grondgebied van een andere verdragsluitende partij is bestemd. 2. Het bepaalde in lid 1 van dit artikel strekt zich niet uit tot de volgende gevallen: uitvoerverboden of -beperkingen welke tijdelijk worden toegepast om kritieke tekorten aan voedingsmiddelen of andere voor de exporterende verdragsluitende partij onmisbare produkten te voorkomen of te verlichten; invoer- en uitvoerverboden of -beperkingen welke nodig zijn voor de toepassing van normen of regelingen tot het indelen, het rangschikken of het aan de markt brengen van produkten bestemd voor de internationale handel; invoerbeperkingen ten aanzien van een in enigerlei vorm geïmporteerd produkt van de landbouw of visserij nodig ter uitvoering van overheidsmaatregelen beogende: de hoeveelheden te beperken welke van het overeenkomstige binnenlandse produkt mogen worden verkocht of geproduceerd, of, indien er geen aanmerkelijke binnenlandse produktie van het overeenkomstige produkt bestaat, van een binnenlands produkt dat het geïmporteerde direct kan vervangen; of een tijdelijk overschot weg te werken van het overeenkomstige binnenlandse produkt, of, indien er geen aanmerkelijke binnenlandse produktie van het overeenkomstige produkt bestaat, van een binnenlands produkt dat het geïmporteerde direct kan vervangen, door zulk een overschot om niet of onder de marktprijs ter beschikking te stellen van zekere groepen binnenlandse verbruikers; of de hoeveelheden te beperken, welke mogen worden geproduceerd van een dierlijk produkt waarvan de produktie, geheel of in hoofdzaak, rechtstreeks afhankelijk is van het geïmporteerde produkt, indien de binnenlandse produktie van zulks een goed betrekkelijk onbeduidend is. Iedere verdragsluitende partij die overeenkomstig het bepaalde sub (c) van dit lid beperkingen aan de invoer van enig produkt oplegt, dient de totale hoeveelheid of waarde van dit produkt welke gedurende een bepaalde toekomstige periode mag worden ingevoerd, alsmede enige verandering in deze hoeveelheid of waarde, ter algemene kennis te brengen. Bovendien mogen de krachtens dit lid, sub (i), toegepaste beperkingen de totale invoer niet doen verminderen in verhouding tot de totale binnenlandse produktie, zulks in vergelijking met de verhouding welke men redelijkerwijze tussen deze beide hoeveelheden bij afwezigheid van beperkingen zou kunnen verwachten. Bij vaststelling van deze verhouding houdt de verdragsluitende partij terdege rekening met de verhouding welke in een voorafgaande basisperiode bestond, zomede met alle bijzondere factoren welke van invloed kunnen zijn geweest of kunnen zijn op de handel in het betrokken produkt. De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.

Rechtspraak bij dit artikel