**1.** Niettegenstaande het bepaalde in lid 1 van artikel XI mag een verdragsluitende partij ter bescherming van haar buitenlandse financiële positie en haar betalingsbalans de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen beperken, behoudens de bepalingen in de volgende leden van dit artikel.
**2.** Invoerbeperkingen door een verdragsluitende partij opgelegd, gehandhaafd of verscherpt mogen niet verder gaan dan nodig is om:
een ernstige daling van haar monetaire reserves te stuiten, dan wel een onmiddellijke dreiging daartoe af te wenden, of,
wanneer het een verdragsluitende partij betreft met zeer geringe monetaire reserves, een redelijke mate van stijging van haar reserves te bewerkstelligen.
In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of haar behoefte aan reserve, met name met de noodzaak te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere hulpbronnen, wanneer deze bedoelde verdragsluitende partij ter beschikking staan.
De verdragsluitende partijen die krachtens het bepaalde sub (a) van dit artikel beperkingen toepassen, verzachten deze geleidelijk aan, naarmate er in de omstandigheden bedoeld sub (a) verbetering optreedt, en handhaven deze slechts voor zover zulke omstandigheden de toepassing ervan nog rechtvaardigen. Zij heffen bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de instelling of handhaving ervan krachtens het bepaalde sub (a) niet meer rechtvaardigen.
**3.** De verdragsluitende partijen verbinden zich bij de uitvoering van hun binnenlands beleid terdege rekening te houden met de noodzaak het evenwicht in hun betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te bewaren, dan wel te herstellen, zomede met de wenselijkheid een niet-economisch gebruik van hun produktiebronnen te vermijden. Zij erkennen, dat het ter verwezenlijking van deze doeleinden noodzakelijk is zoveel mogelijk maatregelen te nemen die eerder strekken tot uitbreiding dan tot inkrimping van de internationale handel.
De verdragsluitende partijen welke beperkingen krachtens dit artikel toepassen kunnen bepalen in welke mate deze beperkingen de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, in dier voege dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke het meest noodzakelijk zijn.
De verdragsluitende partijen die beperkingen krachtens dit artikel toepassen verbinden zich:
onnodige schade aan de commerciële of economische belangen van een andere verdragsluitende partij te voorkomen;
geen beperkingen toe te passen, welke zonder redelijke grond de invoer in minimale handelshoeveelheden verhinderen van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; en
geen beperkingen toe te passen welke de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen.
De verdragsluitende partijen erkennen, dat een door een verdragsluitende partij gevolgd binnenlands beleid dat is gericht op het bereiken en handhaven van volledige en produktieve werkgelegenheid of op de ontwikkeling van economische hulpbronnen, een grote vraag naar invoer bij deze verdragsluitende partij kan teweeg brengen, hetgeen voor haar monetaire reserves een bedreiging kan inhouden als bedoeld in lid 2 (a) van dit artikel. Dientengevolge is geen verdragsluitende partij die in alle andere opzichten aan de bepalingen van dit artikel voldoet, gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in dit beleid de beperkingen welke zij krachtens dit artikel toepast onnodig zou maken.
**4.** Elke verdragsluitende partij die nieuwe beperkingen toepast of het algemene niveau van de bestaande beperkingen doet stijgen door een aanzienlijke verscherping van de ingevolge dit artikel toegepaste maatregelen, moet onmiddellijk na de instelling of verscherping van deze beperkingen (of, in gevallen waarin voorafgaand overleg in de praktijk mogelijk is, alvorens tot het bovenstaande over te gaan) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg treden omtrent de aard van haar betalingsbalansmoeilijkheden, de verschillende maatregelen welke tot verbetering daarvan kunnen worden genomen, alsmede de mogelijke gevolgen van deze beperkingen voor de economie der andere verdragsluitende partijen.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen op een door hen te bepalen tijdstip alle beperkingen welke nog op dat tijdstip krachtens dit artikel worden toegepast aan een onderzoek. Te beginnen een jaar na dit tijdstip treden de verdragsluitende partijen welke ingevolge dit artikel invoerbeperkingen toepassen jaarlijks met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg op de wijze bedoeld in dit lid sub (a).
Indien het gedurende het overleg met een verdragsluitende partij ingevolge dit lid sub (a) of (b) de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV), geven zij aan waarin die onverenigbaarheid schuilt en kunnen zij adviseren passende wijzigingen in de beperkingen aan te brengen.
Indien echter de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN als gevolg van bovengenoemd overleg vaststellen, dat de toegepaste beperkingen in ernstige mate onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat daardoor schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de handel van een verdragsluitende partij, stellen zij de verdragsluitende partij welke de beperkingen toepast daarvan in kennis en doen passende aanbevelingen teneinde binnen een bepaalde termijn naleving van de desbetreffende bepalingen te bereiken. Indien de verdragsluitende partij deze aanbevelingen binnen deze termijn niet opvolgt, kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN iedere verdragsluitende partij waarvan de handel door die beperkingen wordt geschaad ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nodigen op verzoek van elke verdragsluitende partij die duidelijk kan aantonen, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van dit artikel of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat haar handel daardoor wordt geschaad, een verdragsluitende partij die krachtens dit artikel beperkingen toepast uit hierover met hen in overleg te treden. Zulk een uitnodiging wordt echter slechts gedaan nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich ervan hebben vergewist, dat de rechtstreekse besprekingen tussen de betrokken verdragsluitende partijen niet tot een resultaat hebben geleid. Indien als gevolg van het overleg met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen overeenstemming wordt bereikt en deze vaststellen, dat de beperkingen worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de hierboven genoemde bepalingen en dat de handel van de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld daardoor wordt geschaad, of met schade wordt bedreigd, bevelen zij een intrekking of wijziging van de beperkingen aan. Indien de beperkingen niet binnen de termijn die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorschrijven worden ingetrokken of gewijzigd, kunnen zij de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld, ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten.
De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen bij elke ingevolge dit lid ingestelde procedure terdege rekening te houden met alle bijzondere externe factoren die schade toebrengen aan de uitvoerhandel van de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast.
Een uitspraak krachtens dit lid dient op korte termijn te worden gedaan en wel, indien mogelijk, binnen zestig dagen na de aanvang van het overleg.
**5.** Indien er voortdurend en op grote schaal krachtens dit artikel invoerbeperkingen worden toegepast, hetgeen duidt op een algehele verstoring van het evenwicht, waardoor de internationale handel wordt beperkt, openen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN besprekingen teneinde te overwegen of er andere maatregelen zouden kunnen worden genomen – hetzij door die verdragsluitende partijen wier betalingsbalans onder druk staat, hetzij door die wier betalingsbalans de neiging heeft bijzonder gunstig te zijn, hetzij door een bevoegde intergouvernementele organisatie – om de oorzaken die aan de evenwichtsverstoring ten grondslag liggen, weg te nemen. Op uitnodiging van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nemen de verdragsluitende partijen deel aan dergelijke besprekingen.
De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk
gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in
Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1
januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en
gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van
Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.
DEEL II
Artikel XII
Beperkingen ter bescherming van de betalingsbalans
Onderdeel van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel· Financieel en economisch recht