Naar hoofdinhoud

DEEL II

Artikel XVIII

Hulp van regeringswege ten bate van de economische ontwikkeling

Onderdeel van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel· Financieel en economisch recht

1. De verdragsluitende partijen erkennen, dat de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst zal worden bevorderd door de toenemende ontwikkeling van hun economie, in het bijzonder van die verdragsluitende partijen wier economie de bevolking slechts een lage levensstandaard kan bieden en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert. 2. De verdragsluitende partijen erkennen voorts, dat het voor genoemde verdragsluitende partijen noodzakelijk kan zijn – teneinde de economische ontwikkelingsprogramma's uit te voeren, welke zijn gericht op de verhoging van de algemene levensstandaard van hun bevolking – beschermende of andere maatregelen te nemen, die de invoer betreffen en dat deze maatregelen gerechtvaardigd zijn voor zover zij de verwezenlijking van de doelstellingen van deze Overeenkomst bevorderen. Zij zijn derhalve van oordeel, dat bovengenoemde verdragsluitende partijen aanvullende faciliteiten dienen te genieten die hen in staat stellen (a) voldoende soepelheid te betrachten bij het hanteren van de tarieven voor invoerrechten, opdat zij de tariefbescherming kunnen verlenen welke vereist is bij de oprichting van een bepaalde industrie, en (b) kwantitatieve beperkingen toe te passen voor betalingsbalansdoeleinden op een wijze die volledig rekening houdt met het voortdurende hoge peil van de vraag naar importen, welke naar alle waarschijnlijkheid door hun economische ontwikkelingsprogramma's zal worden veroorzaakt. 3. De verdragsluitende partijen erkennen ten slotte, dat dank zij de aanvullende faciliteiten waarin de secties A en B van dit artikel voorzien, de bepalingen van deze Overeenkomst, normaal gesproken, voldoende zijn om de verdragsluitende partijen in staat te stellen aan de behoeften voor hun economische ontwikkeling te voldoen. Zij erkennen echter, dat er omstandigheden kunnen zijn, waarin het praktisch niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met deze bepalingen te nemen om een verdragsluitende partij die een economisch ontwikkelingsproces doormaakt in staat te stellen van regeringswege de hulp te verlenen die noodzakelijk is om de oprichting van bepaalde industrieën te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen. Speciale regelingen zijn voor deze gevallen vastgesteld in de secties C en D van dit artikel. 4. Dientengevolge heeft een verdragsluitende partij wier economie aan het volk slechts een lage levensstandaard kan verschaffen en in het beginstadium van ontwikkeling verkeert, het recht tijdelijk af te wijken van de andere artikelen van deze Overeenkomst, op de wijze als voorzien in de secties A, B en C van dit artikel. Een verdragsluitende partij wier economie een ontwikkelingsproces doormaakt, maar die niet valt onder de werkingssfeer van het hierboven onder (a) gestelde, kan een verzoek richten tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN op grond van sectie D van dit artikel. 5. De verdragsluitende partijen erkennen, dat de opbrengsten uit export van verdragsluitende partijen wier economie het karakter heeft als omschreven in lid 4 (a) en (b) hierboven en die steunt op de uitvoer van een klein aantal basisprodukten, een ernstige verlaging kunnen ondergaan door vermindering van de verkoop van deze produkten. Dientengevolge kan een verdragsluitende partij haar toevlucht nemen tot de bepalingen inzake overleg van artikel XXII van deze Overeenkomst, wanneer de export van basisprodukten van deze verdragsluitende partij ernstig door maatregelen van een andere verdragsluitende partij wordt getroffen. 6. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen ieder jaar alle maatregelen welke krachtens de bepalingen van de secties C en D van dit artikel worden toegepast, aan een onderzoek. 7. Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt het wenselijk acht een in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst vermelde concessie te wijzigen of in te trekken teneinde de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, ter verhoging van de algemene levensstandaard van haar bevolking, stelt zij de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan in kennis en treedt in onderhandeling met elke verdragsluitende partij waarmede deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. Indien de betrokken verdragsluitende partijen overeenstemming hebben bereikt, hebben zij het recht de in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijsten vermelde concessies te wijzigen of in te trekken teneinde de desbetreffende overeenkomst, daarbij inbegrepen de eventueel met die overeenkomst samenhangende compensaties, ten uitvoer te leggen. Indien binnen zestig dagen na de hierboven sub (a) bedoelde kennisgeving geen overeenstemming is bereikt, kan de verdragsluitende partij welke voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken de aangelegenheid aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorleggen, die haar onverwijld in onderzoek nemen. Wanneer het hun mocht blijken, dat de verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken alle pogingen in het werk heeft gesteld om overeenstemming te bereiken en dat de aangeboden compensatie voldoende is, heeft deze verdragsluitende partij het recht de concessie te wijzigen of in te trekken, onder voorwaarde dat zij tegelijkertijd de compensatie daadwerkelijk toepast. Wanneer het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de compensatie aangeboden door een verdragsluitende partij die voornemens is de concessie te wijzigen of in te trekken niet voldoende is, maar dat deze verdragsluitende partij alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk waren in het werk heeft gesteld om een voldoende compensatie aan te bieden, heeft zij het recht deze wijziging of intrekking toe te passen. Indien zulk een maatregel wordt genomen, heeft elke andere verdragsluitende partij als sub (a) hierboven bedoeld het recht nagenoeg gelijkwaardige concessies waarover oorspronkelijk overeenstemming was bereikt met de verdragsluitende partij die de maatregel heeft genomen, te wijzigen of in te trekken. 8. De verdragsluitende partijen erkennen, dat verdragsluitende partijen die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel vallen en een snel ontwikkelingsproces doormaken betalingsbalansmoeilijkheden kunnen ondervinden, welke voornamelijk voortspruiten zowel uit hun pogingen om hun binnenlandse markt uit te breiden als uit de instabiliteit van hun ruilvoet. 9. Teneinde haar buitenlandse financiële positie te beschermen en een voldoende stand der reserves ter uitvoering van haar programma voor economische ontwikkeling te verzekeren mag een verdragsluitende partij die binnen de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, onder voorbehoud van het bepaalde in de leden 10 tot 12, het algehele peil van haar import regelen door de hoeveelheid of de waarde van ten invoer toe te laten goederen te beperken, mits de opgelegde, gehandhaafde of verscherpte invoerbeperkingen niet verder gaan dan nodig is om: een ernstige daling van haar monetaire reserves te stuiten, dan wel een dreiging daartoe af te wenden, of, voor het geval het een verdragsluitende partij betreft met onvoldoende monetaire reserves, een redelijke mate van toeneming van haar reserves te bewerkstelligen. In beide gevallen wordt terdege rekening gehouden met alle bijzondere factoren welke van invloed zijn op de reserves van de verdragsluitende partij of op haar behoefte aan reserves, en met name met de noodzaak om te voorzien in het juiste gebruik van bijzondere buitenlandse kredieten of andere bronnen wanneer deze de verdragsluitende partij ter beschikking staan. 10. Bij de toepassing van deze beperkingen kan de verdragsluitende partij bepalen in welke mate deze de invoer van verschillende produkten of groepen van produkten zullen treffen, met dien verstande dat voorrang wordt verleend aan de invoer van die produkten welke in de lijn van haar beleid ten aanzien van economische ontwikkeling het meest noodzakelijk zijn. Niettemin dient bij de toepassing der beperkingen te worden vermeden, dat onnodige schade aan de commerciële en economische belangen van iedere andere verdragsluitende partij wordt toegebracht en dat zonder redelijke grond de invoer van minimale handelshoeveelheden wordt verhinderd van enigerlei goed welks uitsluiting het normale handelsverkeer zou schaden; bovendien mogen genoemde beperkingen niet zodanig worden toegepast, dat zij de invoer van handelsmonsters of het nakomen van voorschriften terzake van octrooien, handelsmerken of auteursrechten e.d. verhinderen. 11. Bij de uitvoering van haar binnenlands beleid houdt de betrokken verdragsluitende partij terdege rekening met de noodzaak het evenwicht van haar betalingsbalans op gezonde en duurzame basis te herstellen, alsmede met de wenselijkheid een economisch gebruik van produktieve hulpbronnen te verzekeren. Zij verzacht geleidelijk aan alle krachtens deze sectie toegepaste beperkingen naarmate er in de omstandigheden verbetering optreedt en handhaaft deze slechts voor zover ze volgens de bepalingen van lid 9 van dit artikel nog noodzakelijk zijn; zij heft bedoelde beperkingen op zodra de omstandigheden de handhaving daarvan niet meer rechtvaardigen; niettemin is geen verdragsluitende partij gehouden beperkingen in te trekken of te wijzigen op grond van het feit dat een verandering in haar beleid inzake ontwikkeling de beperkingen welke zij krachtens deze sectie toepast onnodig zou maken. 12. Elke verdragsluitende partij die nieuwe beperkingen toepast of die het algemene niveau van de bestaande beperkingen doet stijgen door een aanzienlijke verscherping van de ingevolge deze sectie toegepaste maatregelen, moet onmiddellijk na de instelling of de verscherping van deze beperkingen (of, in gevallen waarin voorafgaand overleg in de praktijk mogelijk is, alvorens tot het bovenstaande over te gaan) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg treden omtrent de aard van haar betalingsbalansmoeilijkheden, de verschillende maatregelen welke tot verbetering daarvan kunnen worden genomen, alsmede de mogelijke gevolgen van deze beperkingen voor de economie der andere verdragsluitende partijen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN onderwerpen op een door hen te bepalen datum alle beperkingen welke nog op dat tijdstip krachtens deze sectie worden toegepast aan een onderzoek. Te beginnen twee jaar na dit tijdstip treden de verdragsluitende partijen welke ingevolge deze sectie beperkingen toepassen met een tussenruimte van ongeveer, doch niet minder dan, twee jaar conform het gestelde sub (a) met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in overleg volgens een door deze telken jare op te stellen programma; niettemin heeft geen overleg ingevolge deze alinea plaats binnen twee jaar na het beëindigen van een overleg van algemeen karakter dat wordt gehouden ingevolge enige andere bepaling van dit lid. Indien, gedurende het overleg krachtens het gestelde sub (a) en (b) van dit lid met een verdragsluitende partij, het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mocht blijken, dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze sectie of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV), geven zij de punten van afwijking aan en kunnen zij adviseren passende wijzigingen in de beperkingen aan te brengen. Indien echter de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN als gevolg van bovengenoemd overleg vaststellen, dat de toegepaste beperkingen in ernstige mate afwijken van de bepalingen van deze sectie of van die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat daardoor schade wordt toegebracht of dreigt te worden toegebracht aan de handel van een verdragsluitende partij, stellen zij de verdragsluitende partij die de bepalingen toepast daarvan in kennis en doen passende aanbevelingen teneinde binnen een bepaalde periode naleving van de desbetreffende bepalingen te bereiken. Indien de verdragsluitende partij deze aanbevelingen binnen deze periode niet opvolgt, kunnen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN elke verdragsluitende partij wier handel door de beperkingen is geschaad ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN nodigen op verzoek van elke verdragsluitende partij die duidelijk kan aantonen dat de beperkingen onverenigbaar zijn met de bepalingen van deze sectie of met die van artikel XIII (met inachtneming van de bepalingen van artikel XIV) en dat haar handel daardoor wordt geschaad, een verdragsluitende partij die krachtens deze sectie beperkingen toepast uit hierover met hen in overleg te treden. Zulk een uitnodiging wordt echter slechts gedaan nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich ervan hebben vergewist, dat de rechtstreekse besprekingen tussen de betrokken verdragsluitende partijen niet tot een resultaat hebben geleid. Indien als gevolg van het overleg met de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN geen overeenstemming wordt bereikt en deze vaststellen, dat de beperkingen worden toegepast op een wijze die onverenigbaar is met de hierbovengenoemde bepalingen en dat de handel van de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld daardoor wordt geschaad, of met schade wordt bedreigd, bevelen zij een intrekking of wijziging van de beperkingen aan. Indien de beperkingen niet binnen de termijn die de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN voorschrijven worden ingetrokken of gewijzigd, kunnen zij de verdragsluitende partij die de procedure heeft ingesteld ontheffen van zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende verplichtingen jegens de verdragsluitende partij die de beperkingen toepast als zij onder de gegeven omstandigheden passend achten. Indien een verdragsluitende partij tegen wie een maatregel overeenkomstig de laatste zin van het bepaalde sub (c) (ii) of sub (d) van dit lid is getroffen, van oordeel is, dat de door de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN gemachtigde ontheffing van verplichtingen haar economisch ontwikkelingsprogramma benadeelt, heeft zij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk kennis te geven van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de Uitvoerend Secretaris de kennisgeving heeft ontvangen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN dienen bij elke ingevolge dit lid ingestelde procedure terdege rekening te houden met de factoren bedoeld in lid 2 van dit artikel. Een uitspraak krachtens dit lid dient op korte termijn te worden gedaan en wel, indien mogelijk, binnen zestig dagen na de aanvang van het overleg. 13. Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt van oordeel is, dat van regeringswege hulp noodzakelijk is om de oprichting van een bepaalde industrie te bevorderen, teneinde de algehele levensstandaard van haar bevolking te verhogen, maar dat het in de praktijk niet mogelijk is maatregelen verenigbaar met de andere bepalingen van deze Overeenkomst te nemen om deze doelstelling te verwezenlijken, kan zij gebruik maken van de bepalingen en regelingen van deze sectie. 14. De betrokken verdragsluitende partij stelt de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN in kennis van de bijzondere moeilijkheden die zij ondervindt bij de verwezenlijking van de doelstelling genoemd in lid 13 van dit artikel; zij geeft nauwkeurig de invoerbelemmerende maatregel aan, die zij voornemens is te nemen om deze moeilijkheden te ondervangen. Zij treft deze maatregel niet vóór afloop van de periode bedoeld in lid 15, onderscheidenlijk lid 17, of slechts nadat zij de akkoordbevinding van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN overeenkomstig het bepaalde in lid 18 heeft verkregen, indien de maatregel de invoer nadelig beïnvloedt van een produkt waarop een concessie opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst is gegeven. Niettemin kan de verdragsluitende partij, indien de industrie die hulp ontvangt reeds is aangevangen met de produktie, zodanige maatregelen treffen, na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN te hebben ingelicht, als noodzakelijk zijn om te beletten dat gedurende die periode de import van het produkt of de produkten in kwestie aanzienlijk boven het normale peil stijgen. 15. Indien binnen dertig dagen na kennisgeving van de maatregel de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de betrokken verdragsluitende partij niet verzoeken met hen te overleggen, heeft deze verdragsluitende partij het recht af te wijken van de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om de voorgenomen maatregel toe te passen. 16. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zulks verzoeken, treedt de betrokken verdragsluitende partij met hen in overleg over de strekking van de voorgenomen maatregel, over de andere maatregelen die in het kader van deze Overeenkomst mogelijk zijn en over de vermoedelijke uitwerking van deze maatregel op de commerciële en economische belangen van andere verdragsluitende partijen. Indien als resultaat van dit overleg de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst, om de in lid 13 van dit artikel neergelegde doelstelling te verwezenlijken, en indien zij instemmen met de voorgenomen maatregel, wordt de betrokken verdragsluitende partij ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen. 17. Indien binnen negentig dagen na de datum van kennisgeving van de voorgenomen maatregel overeenkomstig lid 14 van dit artikel, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zich niet met deze maatregel hebben kunnen verenigen, kan de betrokken verdragsluitende partij genoemde maatregel nemen na de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daarvan op de hoogte te hebben gesteld. 18. Indien de voorgenomen maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, die is opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, treedt de betrokken verdragsluitende partij in onderhandeling met elke andere verdragsluitende partij met wie deze concessie oorspronkelijk was overeengekomen, zomede met elke andere verdragsluitende partij die naar het oordeel der VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN een aanmerkelijk belang bij deze concessie heeft. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN stemmen met de maatregel in, indien zij erkennen, dat het in de praktijk niet mogelijk is een maatregel te treffen welke verenigbaar is met de andere bepalingen van deze Overeenkomst om de in lid 13 van dit artikel omschreven doelstelling te verwezenlijken, en indien zij ervan overtuigd zijn: dat als gevolg van bovengenoemd overleg overeenstemming is bereikt met de betrokken andere verdragsluitende partijen of dat, indien binnen zestig dagen nadat de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN de kennisgeving ingevolge lid 14 hebben ontvangen geen overeenstemming is bereikt, de verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie alle pogingen die redelijkerwijze mogelijk waren in het werk heeft gesteld om overeenstemming te bereiken en dat de belangen van andere verdragsluitende partijen voldoende zijn gewaarborgd. De verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie wordt vervolgens ontheven van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen. 19. Indien de voorgenomen maatregel van het soort is als omschreven in lid 13 van dit artikel en een industrie betreft waarvan de oprichting in de beginperiode werd bevorderd door een aanvullende bescherming die de betrokken verdragsluitende partij ingevolge de desbetreffende bepalingen van deze Overeenkomst had verleend door middel van beperkingen voor betalingsbalansdoeleinden, kan deze verdragsluitende partij gebruik maken van de bepalingen en procedures van deze sectie, mits zij de voorgenomen maatregel niet treft zonder toestemming van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. 20. Geen enkele bepaling van de voorgaande leden van deze sectie geeft het recht af te wijken van de bepalingen van de artikelen I, II en XIII van deze Overeenkomst. De voorbehouden bij lid 10 van dit artikel zijn eveneens van toepassing op elke beperking ingevolge deze sectie. 21. Op elk ogenblik gedurende de tijd dat een maatregel wordt toegepast krachtens lid 17 van dit artikel kan elke verdragsluitende partij die daardoor aanmerkelijk is geschaad ten aanzien van de handel van een verdragsluitende partij die gebruik maakt van de bepalingen van deze sectie de toepassing opschorten van verleende concessies van nagenoeg gelijke waarde of van andere bij deze Overeenkomst aangegane verplichtingen, mits de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN daartegen geen bezwaar maken en onder voorwaarde, dat niet later dan zes maanden nadat de maatregel is getroffen, dan wel aanzienlijk ten nadele van de desbetreffende verdragsluitende partij is gewijzigd, de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN zestig dagen tevoren van een dergelijke opschorting in kennis worden gesteld. Deze verdragsluitende partij biedt voldoende gelegenheid tot overleg overeenkomstig het bepaalde in artikel XXII van deze Overeenkomst. 22. Indien een verdragsluitende partij die onder de werkingssfeer van lid 4 (a) van dit artikel valt, in het belang van de ontwikkeling van haar economie een maatregel van het soort als omschreven in lid 13 van dit artikel wenst te nemen met betrekking tot de oprichting van een bepaalde industrie, mag zij een verzoek tot de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN richten tot goedkeuring van een dergelijke maatregel. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN treden onverwijld met deze verdragsluitende partij in overleg en laten zich bij hun besluit leiden door de in lid 16 omschreven overwegingen. Indien de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN instemmen met de voorgenomen maatregel, ontheffen zij de betrokken verdragsluitende partij van haar verplichtingen krachtens de terzake dienende bepalingen van de andere artikelen van deze Overeenkomst, voor zover noodzakelijk om deze maatregel toe te passen. Indien de voorgestelde maatregel betrekking heeft op een produkt waarop een concessie is gegeven, opgenomen in de desbetreffende bij deze Overeenkomst behorende Lijst, is het bepaalde in lid 18 van toepassing. 23. Iedere maatregel toegepast krachtens deze sectie dient in overeenstemming te zijn met het bepaalde in lid 20 van dit artikel. De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.

Rechtspraak bij dit artikel