Naar hoofdinhoud

DEEL II

Artikel XXIII

Bescherming van concessies en voordelen

Onderdeel van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel· Financieel en economisch recht

1. Indien een verdragsluitende partij meent, dat enig voordeel hetwelk voor haar rechtstreeks of middellijk uit deze Overeenkomst voortvloeit wordt teniet gedaan of uitgehold of dat het bereiken van een in deze Overeenkomst gesteld doel wordt verhinderd doordat (a) een andere verdragsluitende partij in gebreke blijft haar verplichtingen krachtens deze Overeenkomst na te komen of (b) een andere verdragsluitende partij, al dan niet in strijd met de bepalingen van deze Overeenkomst, een maatregel toepast of (c) enige andere omstandigheid aanwezig is, mag die verdragsluitende partij, teneinde tot een bevredigende regeling van de zaak te komen, schriftelijk bezwaren of voorstellen indienen bij de andere verdragsluitende partij of partijen welke naar haar mening hierbij betrokken zijn. Elke verdragsluitende partij tot wie dergelijke bezwaren of voorstellen worden gericht, dient hieraan welwillende aandacht te schenken. 2. Indien de betrokken verdragsluitende partijen niet binnen redelijke tijd tot een vergelijk komen of indien de moeilijkheid van de in lid 1 (c) bedoelde aard is, kan de zaak worden verwezen naar de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN. Deze nemen een aldus naar hen verwezen zaak terstond in onderzoek en doen aan de verdragsluitende partijen die zij erbij betrokken achten passende aanbevelingen of doen een uitspraak terzake. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen, indien zij zulks nodig achten, de verdragsluitende partijen, de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties en iedere daartoe geschikte intergouvernementele organisatie raadplegen. De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN mogen, indien zij de omstandigheden daartoe ernstig genoeg achten, een of meer verdragsluitende partijen machtigen ten opzichte van een of meer verdragsluitende partijen zodanige uit deze Overeenkomst voortvloeiende concessies of andere verplichtingen op te schorten als zij onder de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd achten. Indien de toepassing van een concessie of de nakoming van een andere verplichting ten opzichte van een verdragsluitende partij inderdaad is opgeschort, heeft genoemde verdragsluitende partij het recht, uiterlijk zestig dagen nadat zulk een maatregel is genomen, de Uitvoerend Secretaris van de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN schriftelijk in kennis te stellen van haar voornemen deze Overeenkomst op te zeggen. Deze opzegging wordt van kracht op de zestigste dag na die waarop de schriftelijke kennisgeving door de Uitvoerend Secretaris is ontvangen. De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1 januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.

Rechtspraak bij dit artikel