**1.** De bepalingen van deze Overeenkomst zijn van toepassing op het douanegebied van het moederland der verdragsluitende partijen en op ieder ander douanegebied ten aanzien waarvan deze Overeenkomst ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast. Elk van deze douanegebieden wordt uitsluitend voor de territoriale toepassing van deze Overeenkomst als verdragsluitende partij beschouwd, met dien verstande echter dat de bepalingen van dit lid niet worden uitgelegd als scheppende rechten of verplichtingen tussen twee of meer douanegebieden ten aanzien waarvan deze Overeenkomst door een enkele verdragsluitende partij ingevolge artikel XXVI is aanvaard of krachtens artikel XXXIII of overeenkomstig het Protocol van voorlopige toepassing wordt toegepast.
**2.** Voor de toepassing van deze Overeenkomst wordt onder douanegebied verstaan ieder gebied waarvoor afzonderlijk douanetarieven of andere handelsregelingen gelden ten aanzien van een aanmerkelijk deel van de handel van dat gebied met andere gebieden.
**3.** De bepalingen van deze Overeenkomst mogen niet zodanig worden uitgelegd dat zij een beletsel vormen voor:
het toestaan van faciliteiten door een verdragsluitende partij aan aangrenzende landen teneinde het grensverkeer te vergemakkelijken;
het toestaan van faciliteiten ten aanzien van de handel met het Vrije Gebied van Triëst door landen die aan dit gebied grenzen, mits deze faciliteiten niet onverenigbaar zijn met de Vredesverdragen die uit de Tweede Wereldoorlog zijn voortgevloeid.
**4.** De verdragsluitende partijen erkennen de wenselijkheid de vrijheid van handel te bevorderen door vrijwillige overeenkomsten die een nauwere integratie van de economieën van de daaraan deelnemende landen beogen. Zij erkennen ook, dat het doel van een douane-unie of van een vrijhandelsgebied moet zijn de vergemakkelijking van de handel tussen de samenstellende gebieden en niet de belemmering van de handel van andere verdragsluitende partijen met die gebieden.
**5.** Dienovereenkomstig mogen de bepalingen van deze Overeenkomst niet beletten, dat tussen de gebieden van verdragsluitende partijen een douane-unie of een vrijhandelsgebied wordt ingesteld of dat een voorlopige overeenkomst wordt gesloten noodzakelijk tot het instellen van een douane-unie of een vrijhandelsgebied, mits:
in het geval van een douane-unie of een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een douane-unie zal leiden de invoerrechten en andere regelingen van de handel, geheven onderscheidenlijk getroffen bij de instelling van een dergelijke unie of bij de sluiting van de voorlopige overeenkomst, over het geheel niet hoger of beperkender zijn voor de handel met verdragsluitende partijen die niet deel uitmaken van een dergelijke unie of partij zijn bij een dergelijke overeenkomst dan de invoerrechten en regelingen van de handel die in de samenstellende gebieden van toepassing waren voordat de unie werd ingesteld of de voorlopige overeenkomst werd gesloten;
in het geval van een vrijhandelsgebied of een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een vrijhandelsgebied zal leiden, de invoerrechten en andere regelingen van de handel, van kracht in elk der samenstellende gebieden en van toepassing bij de instelling van een dergelijk vrijhandelsgebied of bij de sluiting van een dergelijke voorlopige overeenkomst, niet hoger of beperkender zijn voor de handel van verdragsluitende partijen die niet binnen dit gebied vallen of die geen partij zijn bij een dergelijke overeenkomst dan de overeenkomstige douanerechten en andere regelingen van de handel die in dezelfde samenstellende gebieden bestonden voordat het vrijhandelsgebied werd ingesteld of de voorlopige overeenkomst werd gesloten;
iedere voorlopige overeenkomst bedoeld onder (a) en (b) een plan en een tijdschema zal inhouden voor de instelling van een dergelijke douane-unie of een dergelijk vrijhandelsgebied binnen een redelijke termijn.
**6.** Indien bij het voldoen aan de vereisten gesteld sub a van lid 5, een verdragsluitende partij zich voorneemt enig recht in strijd met het bepaalde in artikel II te verhogen, wordt de procedure vermeld in artikel XXVIII toegepast. Bij het vaststellen van een compenserende regeling wordt terdege rekening gehouden met de compensatie die reeds wordt verschaft door de verlagingen van het overeenkomstige invoerrecht van de andere samenstellende delen van de Unie.
**7.** Een verdragsluitende partij die besluit deel uit te maken van een douane-unie of een vrijhandelsgebied of partij te worden bij een voorlopige overeenkomst die tot de instelling van een dergelijke unie of een dergelijk gebied zal leiden, doet aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN hiervan onverwijld mededeling en verstrekt hun over deze unie of dit gebied alle gegevens die hen in staat stellen tot de verdragsluitende partijen de verslagen en aanbevelingen te richten welke zij passend achten.
Indien het de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, nadat zij het plan en het tijdschema, opgenomen in een voorlopige overeenkomst bedoeld in lid 5, hebben bestudeerd, in overleg met de partijen bij die overeenkomst en terdege rekening houdende met de gegevens die overeenkomstig het bepaalde sub (a) ter beschikking zijn gesteld, blijkt dat een dergelijke overeenkomst waarschijnlijk niet zal leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied binnen de termijn die door de partijen bij de overeenkomst wordt beoogd of dat deze termijn niet redelijk is, doen de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN aanbevelingen aan de partijen bij de overeenkomst. De partijen mogen de overeenkomst niet handhaven, onderscheidenlijk in werking stellen, indien zij niet bereid zijn haar in overeenstemming met deze aanbevelingen te wijzigen.
Iedere belangrijke verandering in het plan of het tijdschema bedoeld in lid 5 (c) moet worden medegedeeld aan de VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN, die de betrokken verdragsluitende partijen kunnen verzoeken met hen te beraadslagen, indien het waarschijnlijk lijkt dat de verandering de instelling van de douane-unie of het vrijhandelsgebied onnodig in gevaar zal brengen of vertragen.
**8.** Voor de toepassing van deze Overeenkomst:
verstaat men onder een douane-unie de vervanging van twee of meer douanegebieden door een enkel douanegebied, zodanig dat
douanerechten en andere beperkende regelingen van de handel (uitgezonderd, waar nodig, die welke zijn geoorloofd krachtens de artikelen XI, XII, XIII, XIV, XV en XX) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de gebieden waaruit de unie is samengesteld of ten minste ten aanzien van vrijwel de gehele handel in produkten van oorsprong uit deze gebieden, en,
behoudens het bepaalde in lid 9, in hoofdzaak dezelfde douanerechten en andere regelingen van de handel door ieder lid van de unie worden toegepast op de handel met gebieden die niet tot de unie behoren;
verstaat men onder vrijhandelsgebied een groep van twee of meer douanegebieden waarin de douanerechten en andere beperkende regelingen op het gebied van de handel (uitgezonderd, waar nodig, die welke zijn geoorloofd krachtens de artikel XI, XII, XIII, XIV, XV en XX) worden afgeschaft ten aanzien van vrijwel de gehele handel tussen de samenstellende gebieden in produkten van oorsprong uit deze gebieden.
**9.** De instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied oefent geen invloed uit op de preferenties bedoeld in lid 2 van artikel I; deze mogen echter worden afgeschaft of aangepast door middel van onderhandelingen met de betrokken verdragsluitende partijen. Deze onderhandelingsprocedure met de betrokken verdragsluitende partijen is in het bijzonder van toepassing op de afschaffing van preferenties nodig om te voldoen aan de bepalingen van lid 8 (a) (i) en lid 8 (b).
**10.** De VERDRAGSLUITENDE PARTIJEN kunnen met een meerderheid van twee derde voorstellen goedkeuren die niet geheel voldoen aan de vereisten van de leden 5 tot en met 9, op voorwaarde dat deze voorstellen leiden tot de instelling van een douane-unie of een vrijhandelsgebied in de zin van dit artikel.
**11.** Rekening houdende met de buitengewone omstandigheden die voortvloeien uit het feit dat India en Pakistan onafhankelijke Staten zijn geworden, en het feit erkennende dat zij reeds lange tijd een economische eenheid hebben gevormd, komen de verdragsluitende partijen overeen, dat de bepalingen van deze Overeenkomst de beide landen niet beletten bijzondere overeenkomsten aan te gaan ten aanzien van hun wederzijdse handel, zulks in afwachting van het definitief vaststellen van hun wederzijdse handelsbetrekkingen.
**12.** Elke verdragsluitende partij neemt alle redelijke binnen haar bereik liggende maatregelen teneinde de naleving van de bepalingen van deze Overeenkomst door de gewestelijke en plaatselijke besturen en autoriteiten binnen haar gebied te verzekeren.
De Engelse en Franse tekst van de Overeenkomst is oorspronkelijk
gepubliceerd in Stb.1950/K 440. De vertaling is gepubliceerd in
Stb.1950/K 440. De Overeenkomst wordt voorlopig toegepast per 1
januari 1948, zie Trb. 1951/53. Het verdrag is aangevuld en
gewijzigd door de in rubriek J van Trb. 1954/129 en rubriek J van
Trb. 1956/29 genoemde Protocollen, Overeenkomsten, etc.
DEEL III
Artikel XXIV
Territoriale toepassing – grensverkeer – douane-unies en vrijhandelsgebieden
Onderdeel van Algemene Overeenkomst betreffende tarieven en handel· Financieel en economisch recht