Naar hoofdinhoud
1. De aangezochte Partij neemt op verzoek van de verzoekende Partij en binnen de grenzen van deze Overeenkomst de persoon op haar grondgebied terug die niet of niet meer voldoet aan de voorwaarden voor binnenkomst of verblijf op het grondgebied van de verzoekende Partij, wanneer overeenkomstig de bepalingen van artikel 5 van deze Overeenkomst kan worden aangetoond of vastgesteld dat hij de nationaliteit van de aangezochte Partij heeft. 2. Dit geldt ook voor personen die na binnenkomst op het grondgebied van de verzoekende Partij de nationaliteit van de aangezochte Partij hebben verloren dan wel hiervan afstand hebben gedaan zonder de nationaliteit van de verzoekende Partij te hebben verworven. 3. De aangezochte Partij neemt ook de volgende personen terug: minderjarige ongehuwde kinderen van de in het eerste lid vermelde personen, ongeacht hun geboorteplaats of nationaliteit, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht in de verzoekende Partij hebben; echtgenoten van de personen vermeld in het eerste lid die een andere nationaliteit bezitten, mits zij het recht hebben of krijgen om op het grondgebied van de aangezochte Partij binnen te komen en te verblijven, tenzij zij een zelfstandig verblijfsrecht in de verzoekende Partij hebben. 4. Op verzoek van de verzoekende Partij, en conform de bepalingen van artikel 7, vijfde lid, van deze Overeenkomst, verstrekt de aangezochte Partij onverwijld de met het oog op de teruggeleiding van de terug te nemen personen vereiste reisdocumenten.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel