Voor de tusschen de Rijksgrenzen en de ontginningsgrenzen liggende gedeelten geldt het navolgende:
Ten aanzien van het politietoezicht in het ondergrondsche mijnbedrijf zijn de wetten, verordeningen en andere bepalingen van dien Staat van toepassing, in wiens gebied de kolen aan de oppervlakte worden gebracht.
Eveneens is het Toezicht op de mijnen van dien Staat bevoegd tot het uitoefenen van toezicht op de ondergrondsche werken.
De rechtstoestand van de ondergrondsche mijnarbeiders en beambten wordt door gelijke regels beheerscht.
Handelingen en nalatigheden in de ondergrondsche werken, ook die van straf- en burgerrechtelijken aard, worden geacht te hebben plaats gehad in dien Staat, waarin de kolen aan de oppervlakte worden gebracht.
De rechtsgevolgen, welke uit de verhouding van den eigendom van de mijn tot den eigendom van den grond en tot de hierop rustende zakelijke rechten voortvloeien, in het bijzonder de aanspraken wegens mijnschade, worden beoordeeld naar de wetten van den Staat, waarin het perceel is gelegen.
Met betrekking tot in- en uitvoerrechten en tot in- en uitvoerverboden of beperkingen worden de kolen geacht te zijn gewonnen in den Staat, waarin zij aan de oppervlakte worden gebracht. Overigens wordt zoowel van de kolen als van de onderneming belasting geheven volgens de wetten en ten behoeve van den Staat, waarin de schacht voor het kolenvervoer ligt.
Voor bovengrondsche werken is de toestemming vereischt van den Staat, waarin zij zullen worden aangelegd.
Artikel 4
Artikel 4
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Duitse Rijk houdende vaststelling van een ontginningsgrens voor de aan beide zijden van de grens langs de Worm gelegen steenkolenmijnen· Agrarisch recht
Deze tekst geldt sinds 16 december 1939