Naar hoofdinhoud
Indien in een der beide verdragsluitende Staten aan het Toezicht op de mijnen van den anderen Staat een aanspraak op schadevergoeding aannemelijk gemaakt wordt, die aan de ontginning van een in dien Staat aan de ontginningsgrens gelegen en aan het toezicht onderworpen mijn wordt toegeschreven, zal deze dienst den verzoeker ongeacht zijne nationaliteit of zijn woonplaats inzage verleenen van de mijnplannen, met in achtneming van de volgende regels: Behalve de eigenaar kan een ieder daartoe een verzoek doen, die krachtens zakelijk of persoonlijk recht aanspraak kan maken op eenig gebruik of genot van het perceel. Om het verzoek aannemelijk te maken is het voldoende, dat de verzoeker de ligging van het perceel op een kaart aangeeft, door een ambtelijke verklaring aantoont eigenaar van het perceel of gerechtigde tot het gebruik of genot daarvan te zijn en zijn aangifte nopens het ontstaan van schade ondersteunt door een ambtsbericht van het gemeentebestuur, of van de plaatselijke politie, of door een rapport van een deskundige. Het Staatstoezicht op de mijnen noodigt hierna den bestuurder der mijn uit zoo spoedig mogelijk zijn standpunt kenbaar te maken. Ingeval deze ontkent en het aan het Staatstoezicht op de mijnen, reeds na summier onderzoek op grond van zijn algemeene ondervinding voorkomt, dat iedere mogelijkheid uitgesloten is, dat de mijn invloed had op den toestand van het perceel, wordt het verzoek zonder meer afgewezen. Ingeval de bestuurder der mijn niet ontkent, of wel het Staatstoezicht op de mijnen een oorzakelijk verband met de mijnontginning, ondanks tegenspraak van den mijnbestuurder, mogelijk acht, stelt het een dag vast voor de inzage en noodigt den verzoeker en den bestuurder der mijn daartoe uit. Slechts die gedeelten der mijnplannen worden getoond, die in verband met de schade aan het perceel in aanmerking komen. Nateekenen is verboden. Het is den verzoeker intusschen toegestaan zich door een deskundige te laten bijstaan of zich door een gemachtigde te doen vertegenwoordigen. Het recht van den aanvrager zijn aanspraken aan den bevoegden rechter ter beslissing voor te leggen, blijft onverkort.

Rechtspraak bij dit artikel