**1.** Afdeling F van hoofdstuk acht (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten), zoals gewijzigd bij dit artikel en bijlage 13-B, is van toepassing op:
investeringsgeschillen in verband met maatregelen waarop dit hoofdstuk van toepassing is en in het kader waarvan een investeerder klaagt dat een partij de artikelen 8.10 (Behandeling van investeerders en van onder overeenkomst vallende investeringen), 8.11 (Compensatie voor verliezen), 8.12 (Onteigening), 8.13 (Overmakingen), 8.16 (Weigering van toekenning van voordelen), 13.3 of 13.4 niet is nagekomen; of
procedures voor beslechting van investeringsgeschillen die zijn ingeleid overeenkomstig hoofdstuk acht, afdeling F (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten), in het kader waarvan een beroep is gedaan op artikel 13.16, lid 1.
**2.** Ingeval er sprake is van een investeringsgeschil als bedoeld in lid 1, onder a), of indien de verweerder zich beroept op artikel 13.16, lid 1, binnen zestig dagen na de indiening van een verzoek bij het Gerecht overeenkomstig artikel 8.23 (Indiening van verzoek bij Gerecht), wordt een formatie van het Gerecht samengesteld overeenkomstig artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 7, uit de lijst die is opgesteld overeenkomstig artikel 13.20, lid 3. Indien de verweerder binnen zestig dagen na de indiening van een verzoek artikel 13.16, lid 1, inroept, met betrekking tot een ander investeringsgeschil dan hetgeen is bedoeld in lid 1, onder a), gaat de toepasselijke termijn voor de samenstelling van een formatie van het Gerecht overeenkomstig artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 7, in op de datum waarop de verweerder artikel 13.16, lid 1, inroept. Indien het Gemengd Comité voor de CETA binnen de in artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 17, bedoelde termijn geen leden van het Gerecht heeft aangewezen overeenkomstig artikel 8.27 (Instelling van Gerecht), lid 2, kan een van de partijen bij het geschil de secretaris-generaal van het Internationaal Centrum voor beslechting van investeringsgeschillen („Icsid”) verzoeken de leden van het Gerecht te kiezen uit de overeenkomstig artikel 13.20 opgestelde lijst. Indien de lijst niet is opgesteld overeenkomstig artikel 13.20 op de datum van indiening van het verzoek overeenkomstig artikel 8.23 (Indiening van verzoek bij Gerecht), wijst de secretaris-generaal van het Icsid de leden van het Gerecht aan uit de personen die door één of beide partijen zijn voorgesteld, overeenkomstig artikel 13.20.
**3.** De verweerder kan de zaak schriftelijk verwijzen naar het Comité financiële diensten voor een besluit of, en zo ja in welke mate, de uitzondering krachtens artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Deze verwijzing geschiedt uiterlijk op de datum die het Gerecht vaststelt voor de verweerder wat betreft de indiening van diens contramemorie. Indien de verweerder de zaak verwijst naar het Comité financiële diensten op grond van dit lid, worden de in afdeling F van hoofdstuk acht (Beslechting van investeringsgeschillen tussen investeerders en staten) bedoelde termijnen of procedures geschorst.
**4.** Met een verwijzing overeenkomstig lid 3 kan het Comité financiële diensten of het Gemengd Comité voor de CETA, naargelang van het geval, komen tot een gezamenlijke vaststelling over de vraag of en in hoeverre artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Het Comité financiële diensten of het Gemengd Comité voor de CETA, naargelang van het geval, stuurt een kopie van de gezamenlijke vaststelling aan de investeerder en het Gerecht, indien dit is ingesteld. Indien in de gezamenlijke vaststelling wordt geconcludeerd dat artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen alle onderdelen van het verzoek in hun geheel, dan wordt de investeerder geacht zijn verzoek te hebben ingetrokken en wordt de procedure beëindigd zoals bedoeld in artikel 8.35 (Afstand van instantie). Indien in de gezamenlijke vaststelling wordt geconcludeerd dat artikel 13.16, lid 1, enkel een geldig verweer vormt tegen onderdelen van het verzoek, dan is de gezamenlijke vaststelling bindend voor het Gerecht met betrekking tot die onderdelen van het verzoek. De schorsing van de termijnen of van de procedures zoals omschreven in lid 3 is dan niet langer van toepassing en de investeerder kan zijn verzoek wat de overige onderdelen ervan betreft, voortzetten.
**5.** Indien het Gemengd Comité voor de CETA binnen drie maanden na verwijzing van de aangelegenheid door het Comité financiële diensten geen gezamenlijke vaststelling heeft gedaan, dan is de in lid 3 bedoelde schorsing van de termijnen of procedures niet langer van toepassing en kan de investeerder zijn verzoek voortzetten.
**6.** Op verzoek van de verweerder beslist het Gerecht preliminair of en in hoeverre artikel 13.16, lid 1, een geldig verweer vormt tegen het verzoek. Laat de verweerder na dit verzoek in te dienen, dan doet dit niet af aan zijn recht om bij wijze van verweer artikel 13.16, lid 1, in een latere fase van de procedure in te roepen. Het Gerecht verbindt geen negatieve gevolgtrekkingen aan het feit dat het Comité financiële diensten of het Gemengd Comité voor de CETA geen overeenstemming heeft bereikt over een gezamenlijke vaststelling overeenkomstig bijlage 13-B.
HOOFDSTUK DERTIEN
Artikel 13.21
Investeringsgeschillen op gebied van financiële diensten
Onderdeel van Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds· Financieel en economisch recht