**1.** Indien onmiddellijke naleving niet mogelijk is, stelt de partij waaraan het verzoek is gericht, de verzoekende partij en het Gemengd Comité voor de CETA uiterlijk twintig dagen na ontvangst van het eindverslag van het panel door de partijen in kennis van de termijn die zij nodig heeft om naleving te verwezenlijken.
**2.** Zijn de partijen het niet eens over een redelijke termijn om uitvoering te geven aan het eindverslag van het panel, dan vraagt de verzoekende partij het arbitragepanel schriftelijk, binnen twintig dagen na ontvangst van de kennisgeving overeenkomstig lid 1 door de partij waaraan het verzoek is gericht, om vaststelling van een redelijke termijn. Van dit verzoek wordt tegelijkertijd aan de andere partij en aan het Gemengd Comité voor de CETA kennisgegeven. Het arbitragepanel maakt zijn uitspraak binnen dertig dagen na de datum van de indiening van het verzoek bekend aan de partijen en aan het Gemengd Comité voor de CETA.
**3.** De partijen kunnen de redelijke termijn in onderling overleg verlengen.
**4.** Op elk tijdstip na het verstrijken van de helft van de redelijke termijn en op verzoek van de verzoekende partij is de partij waaraan het verzoek is gericht, bereid te discussiëren over de maatregelen die zij neemt om aan het eindverslag van het panel uitvoering te geven.
**5.** De partij waaraan het verzoek is gericht, stelt de andere partij en het Gemengd Comité voor de CETA voor afloop van de redelijke termijn in kennis van de maatregelen die zij heeft genomen om aan het eindverslag van het panel uitvoering te geven.
HOOFDSTUK NEGENENTWINTIG › AFDELING C › ONDERAFDELING B
Artikel 29.13
Redelijke termijn voor naleving
Onderdeel van Brede Economische en Handelsovereenkomst tussen Canada, enerzijds, en de Europese Unie en haar lidstaten, anderzijds· Financieel en economisch recht