Naar hoofdinhoud
1. Begeleiders worden door de verzoekende Staat aangewezen en zijn belast met de begeleiding van de terug of over te nemen of door te geleiden persoon. 2. Op het grondgebied van de aangezochte Staat moeten de begeleiders in alle omstandigheden het recht van de aangezochte Staat naleven. 3. De bevoegdheden van de begeleiders zijn beperkt tot zelfverdediging. Daarnaast kunnen de begeleiders, bij afwezigheid van ter zake bevoegde ambtenaren van de aangezochte Staat of ter ondersteuning van deze ambtenaren, in reactie op een onmiddellijke en ernstige dreiging op redelijke en evenredige wijze optreden om te voorkomen dat de betrokkene vlucht, zichzelf of derden letsel toebrengt dan wel schade aan goederen veroorzaakt. 4. De begeleiders voeren hun taak ongewapend en in burgerkledij uit. Zij dienen in het bezit te zijn van een toestemming tot begeleiding, de instemming met terug- of overname of doorgeleiding en een identiteitskaart. 5. De autoriteiten van de aangezochte Staat verlenen de begeleiders bij de uitoefening van hun taken in het kader van de Overeenkomst dezelfde bescherming en bijstand als aan de eigen ter zake bevoegde ambtenaren.

Rechtspraak bij dit artikel