Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK DRIE › AFDELING A

Artikel 3.10

Beroepsinstantie

Onderdeel van Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. Er wordt een permanente Beroepsinstantie ingesteld die hogere beroepen tegen voorlopige uitspraken van het Gerecht behandelt. 2. Het Comité wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst zes leden van de Beroepsinstantie aan. Met het oog op die aanwijzing: draagt de EU-partij twee leden voor; draagt Singapore twee leden voor; en dragen de EU-partij en Singapore gezamenlijk twee leden voor, die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Unie of van Singapore. 3. Het Comité kan besluiten het aantal leden van de Beroepsinstantie met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2. 4. De leden van de Beroepsinstantie voldoen aan alle gestelde eisen om in hun onderscheiden landen de hoogste rechterlijke ambten te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij met name op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht of geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken. 5. De leden van de Beroepsinstantie worden benoemd voor een ambtstermijn van acht jaar. De eerste ambtstermijn van drie van de zes leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel twaalf jaar. De ambtstermijn van een lid kan bij het verstrijken ervan bij besluit van het Comité worden verlengd. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een persoon die wordt aangewezen ter vervanging van een persoon wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een persoon die bij het verstrijken van zijn ambtstermijn zitting heeft in een formatie van de Beroepsinstantie kan met toestemming van de president van de Beroepsinstantie aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van de Beroepsinstantie. 6. Een president en een vicepresident van de Beroepsinstantie zijn verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden. Zij worden door middel van loting voor vier jaar aangewezen uit de leden van de Beroepsinstantie die zijn aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de voorzitter van het Comité. De vicepresident vervangt de president bij diens verhindering. 7. De Beroepsinstantie behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden, van wie telkens één is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder a), b) en c). De formatie wordt voorgezeten door het lid dat is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). 8. De president van de Beroepsinstantie wijst beurtelings de leden aan die deel uitmaken van de formatie van de Beroepsinstantie die het hoger beroep behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van elke formatie willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren. 9. De Beroepsinstantie stelt zijn eigen werkmethoden vast. 10. De leden van de Beroepsinstantie zorgen ervoor dat zij beschikbaar zijn en in staat zijn om de in deze afdeling beschreven taken uit te voeren. 11. Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden een maandelijks voorschot en een dagvergoeding voor elke dag dat zij als lid fungeren; de hoogte daarvan wordt vastgesteld bij besluit van het Comité. De president van de Beroepsinstantie en in voorkomend geval de vicepresident ontvangen voor elke dag dat zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van de Beroepsinstantie uitoefenen een dagvergoeding. 12. Het voorschot en de dagvergoedingen die de president en de vicepresident van de Beroepsinstantie ontvangen wanneer zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van de Beroepsinstantie vervullen, worden door beide partijen bij de overeenkomst voor gelijke delen gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de partijen bij de overeenkomst het voorschot of de dagvergoedingen niet, dan kan de andere partij bij de overeenkomst ervoor kiezen die te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen door een partij bij de overeenkomst blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding. 13. Bij besluit van het Comité kunnen het voorschot en de dagvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden van de Beroepsinstantie voltijds en stelt het Comité hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden van de Beroepsinstantie geen andere beroepswerkzaamheid verrichten, al dan niet tegen beloning, tenzij van deze bepaling door de president van de Beroepsinstantie bij uitzondering afwijking is toegestaan. 14. Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor de Beroepsinstantie en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door het Gerecht overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten) verdeeld over de partijen bij het geschil.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel