Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK DRIE › AFDELING A

Artikel 3.9

Gerecht van eerste aanleg

Onderdeel van Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. Er wordt een Gerecht van eerste aanleg („Gerecht”) ingesteld voor de behandeling van overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) ingediende verzoeken. 2. Het Comité wijst bij de inwerkingtreding van deze overeenkomst zes leden van het Gerecht aan. Met het oog op die aanwijzing: draagt de EU-partij twee leden voor; draagt Singapore twee leden voor; en dragen de EU-partij en Singapore gezamenlijk twee leden voor, die geen onderdaan zijn van een lidstaat van de Unie of van Singapore. 3. Het Comité kan besluiten het aantal leden van het Gerecht met een veelvoud van drie te verhogen of te verlagen. Voor de aanwijzing van extra leden geldt het bepaalde in lid 2. 4. De leden voldoen aan alle gestelde eisen om in hun onderscheiden landen rechterlijke ambten te bekleden of staan bekend als kundige rechtsgeleerden. Zij beschikken over gespecialiseerde kennis of ervaring op het gebied van het internationaal publiekrecht. Het is wenselijk dat zij met name op het gebied van internationaal investeringsrecht, internationaal handelsrecht of geschillenbeslechting in het kader van internationale investerings- of internationale handelsovereenkomsten over deskundigheid beschikken. 5. De leden worden benoemd voor een ambtstermijn van acht jaar. De eerste ambtstermijn van drie van de zes leden die onmiddellijk na de inwerkingtreding van deze overeenkomst door middel van loting worden aangewezen, bedraagt evenwel twaalf jaar. De ambtstermijn van een lid kan bij het verstrijken ervan bij een besluit van het Comité worden verlengd. Vacatures worden opgevuld zodra zij ontstaan. Een persoon die wordt aangewezen ter vervanging van een persoon wiens ambtstermijn nog niet is geëindigd, oefent het ambt uit voor het resterende gedeelte van de ambtstermijn van zijn of haar voorganger. Een persoon die bij het verstrijken van zijn ambtstermijn zitting heeft in een formatie van het Gerecht kan met toestemming van de president van het Gerecht aanblijven als lid van die formatie totdat de procedures bij die formatie beëindigd zijn, en wordt uitsluitend met het oog daarop geacht lid te blijven van het Gerecht. 6. Een president en een vicepresident van het Gerecht zijn verantwoordelijk voor organisatorische aangelegenheden. Zij worden door middel van loting voor vier jaar aangewezen uit de leden die zijn aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). Zij oefenen het ambt beurtelings uit, aangewezen door middel van loting door de voorzitter van het Comité. De vicepresident vervangt de president bij diens verhindering. 7. Het Gerecht behandelt de zaken in formaties bestaande uit drie leden, van wie telkens één is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder a), b) en c). De formatie wordt voorgezeten door het lid dat is aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). 8. Binnen negentig dagen na de indiening van een verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) wijst de president van het Gerecht beurtelings de leden aan die deel uitmaken van de formatie van het Gerecht die de zaak behandelt, waarbij hij erop toeziet dat de samenstelling van elke formatie willekeurig en niet voorspelbaar is, en dat alle leden gelijke kansen hebben om als lid van een formatie te fungeren. 9. Onverminderd lid 7 kunnen de partijen bij het geschil overeenkomen dat een zaak wordt behandeld door één lid. Dat lid wordt door de president van het Gerecht gekozen uit de leden die zijn aangewezen overeenkomstig lid 2, onder c). De verweerder neemt een daartoe strekkend verzoek van de eiser in welwillende overweging, in het bijzonder wanneer de eiser een kleine of middelgrote onderneming is of wanneer de gevorderde schadeloosstelling of schadevergoeding betrekkelijk gering is. Een dergelijk verzoek wordt tegelijk met het verzoek overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) ingediend. 10. Het Gerecht stelt zijn eigen werkmethoden vast. 11. De leden van het Gerecht zorgen ervoor dat zij beschikbaar zijn en in staat zijn om de in deze afdeling beschreven taken uit te voeren. 12. Om hun beschikbaarheid te waarborgen, ontvangen de leden een maandelijks voorschot waarvan de hoogte wordt vastgesteld bij besluit van het Comité. De president van het Gerecht en in voorkomend geval de vicepresident ontvangen voor elke dag dat zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van het Gerecht uitoefenen een dagvergoeding die gelijk is aan de dagvergoeding die krachtens artikel 3.10 (Beroepsinstantie), lid 11, wordt vastgesteld. 13. Het voorschot en de dagvergoedingen die de president en de vicepresident van het Gerecht ontvangen wanneer zij overeenkomstig deze afdeling de functie van president van het Gerecht vervullen, worden door beide partijen bij de overeenkomst voor gelijke delen gestort op een rekening die wordt beheerd door het secretariaat van het Icsid. Betaalt één van de partijen bij de overeenkomst het voorschot of de dagvergoedingen niet, dan kan de andere partij bij de overeenkomst ervoor kiezen die te betalen. Dergelijke achterstallige betalingen door een partij bij de overeenkomst blijven verschuldigd, met passende rentevergoeding. 14. Tenzij het Comité een besluit neemt op grond van lid 15, worden de andere honoraria en kostenvergoedingen van de leden van het Gerecht die zitting hebben in een formatie vastgesteld overeenkomstig artikel 14, lid 1, van het administratief en financieel reglement van het Icsid-Verdrag zoals dit geldt op de datum van indiening van het verzoek en door het Gerecht overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten) verdeeld over de partijen bij het geschil. 15. Bij besluit van het Comité kunnen het voorschot en andere honoraria en kostenvergoedingen permanent worden omgezet in een reguliere bezoldiging. In dat geval fungeren de leden voltijds en stelt het Comité hun salaris en daarmee verband houdende organisatorische maatregelen vast. In dat geval mogen de leden geen andere beroepswerkzaamheid verrichten, al dan niet tegen beloning, tenzij de president van het Gerecht dit bij uitzondering toestaat. 16. Het secretariaat van het Icsid treedt op als secretariaat voor het Gerecht en verleent het passende ondersteuning. De kosten voor die ondersteuning worden door het Gerecht overeenkomstig artikel 3.21 (Kosten) verdeeld over de partijen bij het geschil.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel