**1.** Wanneer in twee of meer overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) afzonderlijk ingediende verzoeken dezelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan een partij bij het geschil verzoeken om de samenstelling van een afzonderlijke formatie van het Gerecht („formatie die uitspraak over de voeging doet”) en vragen dat die formatie een voegingsbeschikking geeft, op voorwaarde dat:
alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn, toestemming verlenen voor de voeging; in dit geval dienen de partijen bij het geschil een gemeenschappelijk verzoek in overeenkomstig lid 3, of of
de leden 2 tot en met 12 worden nageleefd, indien de voegingsbeschikking tot slechts één verweerder gericht zal zijn.
**2.** Een partij bij het geschil die om voeging verzoekt, zendt eerst een kennisgeving aan de andere partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn. In deze kennisgeving wordt het volgende vermeld:
de naam en het adres van alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn;
de verzoeken, of onderdelen daarvan, waarop de voegingsbeschikking betrekking zal hebben, en
de gronden voor het verzoek om voeging.
De partijen bij het geschil streven ernaar overeenstemming te bereiken over de gevraagde voegingsbeschikking en over de toepasselijke geschillenbeslechtingsregels.
**3.** Indien de in lid 2 bedoelde partijen bij het geschil niet binnen 30 dagen na de kennisgeving overeenstemming bereiken over de voeging, kan een van de partijen bij het geschil op grond van de leden 3 tot en met 7 verzoeken om een voegingsbeschikking. Het verzoek wordt schriftelijk meegedeeld aan de president van het Gerecht en aan alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn. In dat verzoek wordt het volgende vermeld:
de naam en het adres van alle partijen bij het geschil tot wie de voegingsbeschikking gericht zal zijn;
de verzoeken, of onderdelen daarvan, waarop de voegingsbeschikking betrekking zal hebben, en
de gronden voor het verzoek om voeging.
Wanneer de partijen bij het geschil overeenstemming hebben bereikt over de voeging van de verzoeken, dienen zij een gemeenschappelijk verzoek bij de president van het Gerecht in overeenkomstig dit lid.
**4.** Tenzij de president van het Gerecht binnen 30 dagen na ontvangst van een verzoek krachtens lid 3 vaststelt dat het verzoek kennelijk ongegrond is, wordt overeenkomstig artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg), lid 8, een formatie van het Gerecht ingesteld die uitspraak over de voeging doet.
**5.** De procedure bij de formatie van het Gerecht die uitspraak over de voeging doet, verloopt als volgt:
wanneer alle verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, zijn ingediend uit hoofde van dezelfde geschillenbeslechtingsregels, verloopt de procedure bij de formatie die uitspraak over de voeging doet overeenkomstig de betrokken geschillenbeslechtingsregels, tenzij alle partijen bij het geschil anders overeenkomen;
wanneer de verzoeken waarvoor om voeging wordt verzocht, niet zijn ingediend uit hoofde van dezelfde geschillenbeslechtingsregels:
kunnen de partijen bij het geschil overeenstemming bereiken over de in artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) bedoelde geschillenbeslechtingsregels die op de gevoegde procedures van toepassing zullen zijn; of
indien de partijen bij het geschil niet binnen 30 dagen na het krachtens lid 3 ingediende verzoek overeenstemming bereiken over de geschillenbeslechtingsregels, zijn de arbitragevoorschriften van Uncitral op de gevoegde procedures van toepassing.
**6.** Wanneer de formatie die uitspraak over de voeging doet, vaststelt dat in twee of meer overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) ingediende verzoeken dezelfde rechtsvraag of feitelijke vraag aan de orde is en die verzoeken uit dezelfde gebeurtenissen of omstandigheden voortvloeien, kan die formatie in het belang van een eerlijke en doeltreffende afhandeling van de verzoeken, mede met het oog op de consistentie van de uitspraken, en nadat de partijen bij het geschil zijn gehoord, zich bij beschikking:
bevoegd verklaren om kennis te nemen van alle of een deel van de verzoeken ter fine van de gelijktijdige afhandeling daarvan, of
bevoegd verklaren om kennis te nemen van een of meer verzoeken ter fine van de afhandeling daarvan, wanneer zij van oordeel is dat de afhandeling daarvan de afhandeling van de overige verzoeken zal vergemakkelijken.
**7.** Wanneer een formatie is ingesteld die uitspraak over de voeging doet, kan een eiser die een verzoek op grond van artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht) heeft ingediend en niet met naam wordt genoemd in een verzoek krachtens lid 3, die formatie schriftelijk verzoeken dat elke krachtens lid 6 gegeven beschikking ook tot hem gericht zal zijn. Dat verzoek dient te voldoen aan de voorschriften van lid 3.
**8.** Op verzoek van een partij bij het geschil kan de formatie die uitspraak over de voeging doet, alvorens haar beschikking krachtens lid 6 te geven, gelasten dat de behandeling door een op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formatie wordt geschorst, tenzij laatstbedoelde formatie haar zitting reeds heeft verdaagd.
**9.** Een op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formatie van het Gerecht is niet langer bevoegd uitspraak te doen over een verzoek, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan een formatie die uitspraak over de voeging doet, zich bevoegd heeft verklaard, en de behandeling door een op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formatie wordt geschorst dan wel de zitting van die formatie wordt verdaagd.
**10.** De uitspraak van de formatie die uitspraak over de voeging doet, over verzoeken, of onderdelen daarvan, ten aanzien waarvan zij zich bevoegd heeft verklaard, is voor de op grond van artikel 3.9 (Gerecht van eerste aanleg) ingestelde formaties met betrekking tot die verzoeken bindend vanaf de dag waarop de uitspraak overeenkomstig artikel 3.18 (Uitspraak), lid 4, artikel 3.19 (Beroepsprocedure), lid 2, of artikel 3.19 (Beroepsprocedure), lid 3, definitief wordt.
**11.** Een eiser kan een in het kader van een voegingsprocedure behandeld verzoek, of onderdeel daarvan, onttrekken aan de geschillenbeslechting krachtens dit artikel, op voorwaarde dat dit verzoek, of onderdeel daarvan, daarna niet opnieuw wordt ingediend overeenkomstig artikel 3.6 (Indiening van verzoeken bij het Gerecht).
**12.** Op verzoek van een van de partijen bij het geschil kan de formatie die uitspraak over de voeging doet, alle maatregelen nemen die zij geschikt acht om het vertrouwelijke karakter van beschermde informatie van deze partij bij het geschil ten opzichte van andere partijen bij het geschil te waarborgen. Die maatregelen kunnen onder meer inhouden dat bewerkte versies van documenten die beschermde informatie bevatten, worden overgelegd aan de andere partijen bij het geschil, of dat de zitting gedeeltelijk achter gesloten deuren plaatsvindt.
HOOFDSTUK DRIE › AFDELING A
Artikel 3.24
Voeging
Onderdeel van Investeringsbeschermingsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek van Singapore, anderzijds· Financieel en economisch recht