Naar hoofdinhoud
1. Indien een gezinslid immuniteit geniet van civielrechtelijke en bestuursrechtelijke rechtsmacht van de ontvangende staat in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 of ingevolge enige andere van toepassing zijnde internationale instrumenten die voor beide partijen bindend zijn, is een dergelijke immuniteit niet van toepassing ten aanzien van tegen hen ingestelde vorderingen met betrekking tot elk handelen of nalaten dat verband houdt met de betaalde werkzaamheden die het gezinslid verricht. 2. Indien een gezinslid immuniteit geniet ten aanzien van de rechtsmacht in strafzaken van de ontvangende staat in overeenstemming met het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer van 18 april 1961 of ingevolge enige andere van toepassing zijnde internationale instrumenten die voor beide partijen bindend zijn, worden de bepalingen tot vaststelling van deze immuniteit toegepast ten aanzien van elk handelen of nalaten dat verband houdt met de betaalde werkzaamheden die het gezinslid verricht. Indien het in de ogen van de ontvangende staat echter een ernstige kwestie betreft, neemt de zendstaat, op verzoek van de ontvangende staat, het afstand doen van de immuniteit van het gezinslid ten aanzien van rechtsmacht in strafzaken ernstig in overweging. 3. Het afstand doen van immuniteit heeft geen betrekking op maatregelen van preventieve aard of de tenuitvoerlegging van een vonnis; daarvoor is afzonderlijk afstand doen van immuniteit noodzakelijk. De zendstaat neemt elk schriftelijk verzoek daartoe van de ontvangende staat ernstig in overweging.

Rechtspraak bij dit artikel