Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK II

Artikel 11

Verhoor van personen op het grondgebied van de aangezochte Partij

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2023

1. De aangezochte Partij neemt, in overeenstemming met haar nationale wetgeving, verklaringen af van getuigen, slachtoffers, verdachten en aangeklaagden, deskundigen of andere personen, en verzamelt dossiers, documenten en enig ander bewijsmateriaal dat in het verzoek om rechtshulp is aangegeven en zendt deze naar de verzoekende Partij. 2. Een persoon die in de aangezochte Partij een getuigenis dient af te leggen ingevolge een verzoek uit hoofde van dit artikel, kan weigeren te getuigen of een verklaring af te leggen indien de nationale wetgeving van de aangezochte Partij of van de verzoekende Partij daarin voorziet. 3. Indien een persoon in de aangezochte Partij beweert dat er krachtens de nationale wet van de verzoekende Partij een recht of verplichting bestaat te weigeren een getuigenis af te leggen, verstrekt de verzoekende Partij op verzoek een verklaring aan de aangezochte Partij ter zake van het bestaan van dat recht. Bij gebrek aan bewijs van het tegendeel, vormt deze verklaring afdoende bewijs van de zaken die erin vermeld staan. 4. Ten behoeve van dit artikel wordt onder het afnemen van een getuigenis ook het beschikbaar stellen van documenten of ander materiaal verstaan. 5. In overeenstemming met de nationale wetgeving van de aangezochte Partij, kunnen functionarissen van de verzoekende Partij en andere personen die betrokken zijn bij het proces in de verzoekende Partij, toestemming krijgen aanwezig te zijn wanneer de getuigenis wordt afgenomen op het grondgebied van de aangezochte Partij en deel te nemen aan het afnemen van deze getuigenissen op een wijze die gespecificeerd kan worden door de aangezochte Partij. De personen die aanwezig zijn bij de uitvoering van een verzoek kunnen toestemming krijgen om de autoriteiten van de aangezochte Partij de vragen te stellen die zijn toegestaan ingevolge de nationale wetgeving van de verzoekende Partij.

Rechtspraak bij dit artikel