Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK I

Artikel 5

Weigeringsgronden en voorwaarden voor het uitvoeren van een verzoek

Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Arabische Emiraten inzake wederzijdse rechtshulp in strafzaken· Strafrecht

Deze tekst geldt sinds 1 augustus 2023

1. Rechtshulp wordt geweigerd indien: het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat door de aangezochte Partij beschouwd wordt als een politiek delict. De volgende strafbare feiten worden niet als politieke delicten beschouwd: voor de Verenigde Arabische Emiraten: een aanslag gericht tegen de President van de Staat of zijn plaatsvervanger, de regeringsleider, of elk lid van hun gezin, of elk lid van de Opperste Raad of elk lid van hun gezin; voor het Koninkrijk der Nederlanden: een aanslag gericht tegen de Koning of elk lid van zijn gezin; terroristische misdrijven, financiering van terrorisme of elk ander strafbaar feit dat niet als een politiek delict wordt beschouwd ingevolge elk internationaal verdrag waar beide Partijen Partij bij zijn; het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit krachtens het militair recht; er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat het verzoek om rechtshulp is gedaan met de bedoeling een persoon te onderzoeken, te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, geslacht, godsdienst, nationaliteit of politieke overtuiging of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden; het verlenen van rechtshulp de soevereiniteit, veiligheid, openbare orde of andere wezenlijke belangen van de staat van de aangezochte Partij zou schaden. 2. Rechtshulp kan worden geweigerd indien: het handelen of nalaten dat het vermeende strafbare feit zou opleveren waarop het verzoek betrekking heeft, geen strafbaar feit zou hebben opgeleverd indien het zou hebben plaatsgevonden binnen de rechtsmacht van de aangezochte Partij; het verzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat is onderworpen aan onderzoek, vervolging of een procedure onder de eigen rechtsmacht van de aangezochte Partij; de uitvoering van het verzoek zou indruisen tegen het beginsel van ne bis in idem. 3. Rechtshulp wordt niet geweigerd: uitsluitend op grond van de geheimhoudingsplicht van banken en instellingen die financiële diensten verlenen; of wanneer het verzoek betrekking heeft op strafbare feiten die te maken hebben met heffingen, belastingen of douanerechten, op grond van het feit dat het ontduiken van heffingen, belastingen of douanerechten geen strafbaar feit vormt in de aangezochte Partij of op grond van het feit dat er daar geen soortgelijke heffingen, belastingen of douanerechten worden opgelegd. 4. Alvorens een verzoek om rechtshulp te weigeren overlegt de centrale autoriteit van de aangezochte Partij met de centrale autoriteit van de verzoekende Partij of de rechtshulp kan worden verleend onder de garantie dat de doodstraf of lijfstraf niet worden opgelegd, of, indien deze wel worden opgelegd, dat zij niet ten uitvoer worden gebracht, dan wel met andere garanties en voorwaarden die de betrokken bevoegde autoriteit nodig acht. 5. Indien de aangezochte Partij rechtshulp weigert, stelt zij de verzoekende Partij daarvan onverwijld op de hoogte alsmede van de redenen voor de weigering.

Rechtspraak bij dit artikel