Naar hoofdinhoud
1. Een verdragsluitende staat is bevoegd bij het heffen van belasting van zijn inwoners in de grondslag waarnaar de belasting wordt geheven, de inkomensbestanddelen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in de andere verdragsluitende staat mogen worden belast. 2. Indien echter een inwoner van Nederland inkomensbestanddelen verkrijgt die volgens artikel 6, eerste, derde en vierde lid, artikel 7, eerste lid, artikel 10, vijfde lid, artikel 11, vijfde lid, artikel 12, vierde lid, artikel 13, eerste, tweede en derde lid, artikel 14, eerste lid, artikel 17, eerste en tweede lid, artikel 18, eerste lid (onderdeel a), en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag in Colombia mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Nederland deze inkomensbestanddelen vrij door een vermindering van zijn belasting toe te staan. Deze vermindering wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Daartoe worden de bedoelde inkomensbestanddelen geacht te zijn begrepen in het bedrag van de inkomensbestanddelen die ingevolge die bepalingen van Nederlandse belasting zijn vrijgesteld. 3. Nederland verleent voorts een aftrek op de aldus berekende Nederlandse belasting voor de inkomensbestanddelen die volgens artikel 10, tweede en zevende lid, artikel 11, tweede lid, artikel 12, tweede lid, artikel 13, vijfde en zevende lid, artikel 15, artikel 16, eerste en tweede lid, artikel 17, zesde lid, en artikel 20, derde lid, van dit Verdrag in Colombia mogen worden belast, in zoverre deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Het bedrag van deze aftrek is gelijk aan de in Colombia over deze inkomensbestanddelen betaalde belasting, maar bedraagt, indien de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting daarin voorzien, niet meer dan het bedrag van de aftrek die zou zijn verleend indien de aldus in het inkomen begrepen inkomensbestanddelen de enige inkomensbestanddelen zouden zijn geweest waarvoor Nederland een aftrek verleent uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting. Dit lid beperkt een tegemoetkoming nu of in de toekomst verleend uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting niet, echter uitsluitend voor zover het de berekening van het bedrag van de aftrek op de Nederlandse belasting betreft met betrekking tot de som van het inkomen afkomstig uit meer dan een land en de voortwenteling van de belasting betaald in Colombia op bedoelde inkomensbestanddelen naar de volgende jaren. 4. Niettegenstaande de bepalingen van het tweede lid verleent Nederland een aftrek op de Nederlandse belasting voor de in Colombia betaalde belasting op inkomensbestanddelen die volgens artikel 7, eerste lid, artikel 10, vijfde lid, artikel 11, vijfde lid, artikel 12, vierde lid, en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag in Colombia mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, voor zover Nederland uit hoofde van de bepalingen in de Nederlandse wetgeving tot het vermijden van dubbele belasting een aftrek verleent op de Nederlandse belasting voor de in een ander land over dergelijke inkomensbestanddelen geheven belasting. Voor de berekening van deze aftrek zijn de bepalingen van het derde lid van dit artikel van overeenkomstige toepassing. 5. Indien een inwoner van Colombia inkomen verwerft dat in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag in Nederland mag worden belast, verleent Colombia als een aftrek (descuento) op de belasting naar het inkomen van die inwoner: het bedrag dat resulteert uit de vermenigvuldiging van het brutobedrag van de dividenden met het belastingtarief dat van toepassing is op de winst waaruit deze dividenden zijn betaald, in aanvulling op een bedrag gelijk aan de Nederlandse belasting betaald ter zake van deze dividenden, in het geval er in Nederland belasting wordt betaald ter zake van dividenden, of een bedrag gelijk aan de betaalde Nederlandse belasting, in alle overige gevallen, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de beperkingen gesteld door en de vereisten vervat in de belastingwetgeving van Colombia die niet in strijd zijn met de onderliggende beginselen die in dit lid zijn vastgesteld. Die aftrek overschrijdt echter in geen geval dat deel van de Colombiaanse belasting, zoals berekend vóór het verlenen van de aftrek (descuento), dat kan worden toegerekend aan het inkomen dat in Nederland mag worden belast.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel