**1.** De doortocht over het grondgebied van een van de Partijen van een persoon die geen onderdaan is van die staat en die door een derde staat aan de andere Partij is overgeleverd, wordt door de centrale autoriteiten toegestaan na overlegging langs diplomatieke weg, of via de centrale autoriteit of via Interpol, in spoedeisende gevallen van een van de in artikel 6, tweede lid, bedoelde documenten, op voorwaarde dat dit niet strijdig is met de openbare orde of dat er geen strafbare feiten zijn ten aanzien waarvan de uitlevering overeenkomstig artikel 3 moet worden geweigerd.
**2.** Doortocht kan in alle andere gevallen worden geweigerd indien de uitlevering worden geweigerd.
**3.** De bewaring van de persoon om wiens doortocht wordt verzocht, valt onder de verantwoordelijkheid van de autoriteiten van de Partij van doortocht zolang hij zich op haar grondgebied bevindt.
**4.** In geval het vervoer door de lucht plaatsvindt zijn de volgende bepalingen van toepassing:
indien geen landing is voorzien geeft de verzoekende Partij de partij over wier grondgebied zal worden gevlogen daarvan kennis en verklaart zij dat een van de stukken bedoeld in artikel 6, tweede lid, bestaat. In geval van een onvoorziene landing heeft deze kennisgeving de rechtskracht van een verzoek om voorlopige aanhouding als bedoeld in artikel 8 en dient de verzoekende Partij een gewoon verzoek tot doortocht in;
indien een landing is voorzien dient de verzoekende Partij een gewoon verzoek tot doortocht in.
**5.** De verzoekende Partij vergoedt de doorvoerpartij alle kosten die daartoe eventueel zijn gemaakt.
Artikel 16
Doortocht
Onderdeel van Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko inzake uitlevering· Strafrecht