**1.** Elke staat die partij is wijst een of meer centrale autoriteiten aan. De centrale autoriteiten zijn verantwoordelijk voor het verzenden en ontvangen van verzoeken om en informatie over samenwerking in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en moedigen de snelle en juiste uitvoering door de bevoegde autoriteiten aan.
**2.** Indien een staat die partij is een speciale regio of speciaal grondgebied heeft met een afzonderlijk stelsel voor samenwerking ingevolge dit Verdrag, kan hij een aparte centrale autoriteit aanwijzen die de in het eerste lid bedoelde functies vervult voor die regio of dat grondgebied.
**3.** Indien een staat die partij is een afzonderlijke centrale autoriteit heeft die verantwoordelijk is voor het verzenden en ontvangen van verzoeken en informatie overeenkomstig specifieke bepalingen van dit Verdrag, kan hij een afzonderlijke centrale autoriteit aanwijzen die de in het eerste lid bedoelde functies heeft voor de relevante bepalingen van dit Verdrag.
**4.** Op verzoek van een of meer staten die partij zijn, kan er overleg gevoerd worden tussen de centrale autoriteiten over kwesties die verband houden met de toepassing van dit Verdrag.
**5.** Elke staat geeft op het tijdstip van ondertekening of bij de nederlegging van zijn akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot dit Verdrag, kennis van zijn aanwijzing van een of meer centrale autoriteiten uit hoofde van het eerste lid, door middel van een aan de depositaris gerichte verklaring. Elke staat kan daarna, op elk tijdstip en op dezelfde wijze, de voorwaarden van zijn verklaring veranderen.
DEEL II
Artikel 20
Centrale autoriteiten
Onderdeel van Verdrag van Ljubljana-Den Haag inzake internationale samenwerking bij de opsporing en vervolging van genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdrijven en andere internationale misdrijven· Strafrecht