Naar hoofdinhoud
1. Wanneer een onderdaan van een staat die partij is, is veroordeeld, kan de veroordelende staat die partij is de staat van nationaliteit verzoeken de tenuitvoerlegging van de veroordeling over te nemen onder de volgende voorwaarden: wanneer de betrokken persoon is gevlucht of op andere wijze is teruggekeerd naar de staat van nationaliteit in de wetenschap dat er tegen de persoon strafvervolging is ingesteld in de veroordelende staat die partij is; wanneer de betrokken persoon is gevlucht of op andere wijze is teruggekeerd naar de staat van nationaliteit in de wetenschap dat er tegen de persoon een vonnis is uitgesproken in de veroordelende staat die partij is. 2. Op verzoek van de veroordelende staat die partij is, kan de tenuitvoerleggende staat die partij is, voorafgaand aan de ontvangst van de stukken ter ondersteuning van het verzoek, of voorafgaand aan de beslissing op dat verzoek, de gevonniste persoon aanhouden of andere maatregelen nemen teneinde te verzekeren dat de gevonniste persoon op zijn grondgebied blijft in afwachting van de beslissing op het verzoek. Verzoeken tot voorlopige maatregelen moeten vergezeld gaan van de in artikel 68, derde lid, genoemde informatie. De arrestatie van de gevonniste persoon ingevolge dit lid, leidt niet tot een verzwaring van de strafrechtelijke positie van de persoon. 3. Met betrekking tot dit artikel is niet vereist dat de gevonniste persoon instemt met de overdracht van de tenuitvoeringlegging van de veroordeling. 4. Niets in dit artikel verplicht de staat van nationaliteit de tenuitvoerlegging van veroordelingen over te nemen onder de voorwaarden die in dit artikel beschreven zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel