Naar hoofdinhoud
1. Een staat die partij is geeft, in overeenstemming met zijn nationale recht, gehoor aan een verzoek om doortocht van een gevonniste persoon over haar grondgebied indien een daartoe strekkend verzoek door een andere staat die partij is gedaan en die staat met een andere staat die partij is of een derde staat is overeengekomen deze persoon van of naar zijn grondgebied over te brengen. 2. Een staat die partij is kan doortocht weigeren indien de gevonniste persoon een van zijn onderdanen is. 3. Verzoeken om doortocht en antwoorden daarop worden gecommuniceerd via een in artikel 21, eerste of tweede lid, bedoeld communicatiekanaal. 4. Een staat die partij is kan een verzoek om doortocht van een gevonniste persoon over haar grondgebied ingediend door een derde staat inwilligen indien die staat met een andere staat die partij is, is overeengekomen deze persoon van of naar haar grondgebied over te brengen. 5. De staat die partij is die verzocht wordt doortocht te verlenen mag de gevonniste persoon uitsluitend in hechtenis nemen gedurende de tijd die benodigd is voor de doortocht over zijn grondgebied. 6. De staat die partij is die verzocht wordt doortocht te verlenen kan gevraagd worden de verzekering te geven dat de gevonniste persoon niet zal worden vervolgd of, behoudens het bepaalde in het vijfde lid, in hechtenis zal worden gehouden of aan enige andere beperking van zijn persoonlijke vrijheid zal worden onderworpen op het grondgebied van de doortocht verlenende staat die partij is wegens een misdrijf begaan of veroordeling uitgesproken voorafgaand aan het vertrek van die persoon uit het grondgebied van de veroordelende staat die partij is. 7. Er is geen verzoek om doortocht vereist wanneer gebruik wordt gemaakt van luchtvervoer over het grondgebied van een staat die partij is en er geen landing is voorzien. Een staat die partij is kan vereisen in kennis te worden gesteld van een dergelijke doortocht over zijn grondgebied door de centrale autoriteiten van de staten die partij zijn, of, indien aan de voorwaarden van artikel 85, tweede en derde lid, is voldaan, de staat die is aangewezen om bijkomende tussentijdse steun te verlenen, in te lichten. 8. In geval van een ongeplande landing is artikel 65, vierde lid, van overeenkomstige toepassing.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel