Naar hoofdinhoud
1. Indien een hit plaatsvindt op een voertuig dat niet het voorwerp uitmaakt van een internationale signalering als bedoeld in artikel 17, tweede lid, van deze Uitvoeringsovereenkomst, moet dit aan de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt, worden gemeld via de nationale contactpunten als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van deze Uitvoeringsovereenkomst, behoudens in de gevallen voorzien in het tweede en derde lid van dit artikel. 2. Indien de referentiegegevens enkel ingezet worden in de grensstreek zoals gedefinieerd in bijlage 3 bij het Politieverdrag, kunnen de hits worden gemeld via een vooraf te bepalen regionaal contactpunt als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Politieverdrag of via een vooraf te bepalen gemeenschappelijk politiecentrum als bedoeld in artikel 30 van het Politieverdrag. 3. De hits mogen rechtstreeks, zonder gebruik te maken van de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde kanalen, gemeld worden aan een eenheid van de bevoegde dienst die de referentiegegevens heeft verstrekt, indien: het gebruik van de in het eerste en tweede lid van dit artikel genoemde kanalen aanleiding zou geven tot een vertraging die de uitvoering van de urgente opdrachten van één van de betrokken bevoegde diensten in het gedrang brengt; of de hit tot stand is gekomen tijdens een gemeenschappelijk optreden op basis van artikel 18, 20, 53 of 54 van het Politieverdrag of tijdens een gemengde patrouille of een gemeenschappelijke controle uitgevoerd door de speciale eenheden op basis van artikel 57 van het Politieverdrag. 4. In de gevallen voorzien in het tweede en derde lid van dit artikel dient het in het eerste lid van dit artikel bedoelde nationale contactpunt van de Verdragsluitende Partij die de referentiegegevens heeft verstrekt, onmiddellijk op de hoogte te worden gebracht.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel