Naar hoofdinhoud
1. Curaçao is bevoegd in de grondslag waarnaar belasting wordt geheven van zijn inwoners de inkomensbestanddelen te begrijpen die overeenkomstig de bepalingen van dit Verdrag in de andere verdragsluitende staat mogen worden belast. In deze gevallen verleent Curaçao evenwel een aftrek op de belasting van Curaçao volgens het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid, behalve voor zover de bepalingen van dit Verdrag belastingheffing door de andere verdragsluitende staat toestaan met als enige reden dat die inkomensbestanddelen ook inkomsten zijn die door een inwoner van de andere verdragsluitende staat verkregen zijn. 2. Indien een inwoner van Curaçao inkomensbestanddelen verkrijgt die volgens artikel 6, eerste lid, artikel 7, eerste lid, artikel 13, eerste, tweede, vierde en zesde lid, artikel 14, eerste en derde lid, artikel 17, tweede en vijfde lid, artikel 18, eerste lid (onderdeel a), artikel 19, en artikel 20, tweede lid, van dit Verdrag in de andere verdragsluitende staat mogen worden belast en die in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen, stelt Curaçao deze inkomensbestanddelen vrij door een aftrek op de belasting van Curaçao toe te staan. Deze aftrek wordt berekend aan de hand van de methode van de progressieve vrijstelling met inachtneming van de wettelijke bepalingen van Curaçao voor het vermijden van dubbele belasting indien van toepassing. 3. De bepalingen van het tweede lid zijn niet van toepassing op inkomensbestanddelen verkregen door een inwoner van Curaçao wanneer de andere verdragsluitende staat de bepalingen van dit Verdrag toepast om deze inkomensbestanddelen vrij te stellen van belasting of de bepalingen van artikel 10, tweede lid, op deze inkomensbestanddelen toepast. In dat geval zijn de bepalingen van het vierde lid van overeenkomstige toepassing. 4. Curaçao verleent voorts een aftrek op de aldus berekende belasting van Curaçao voor de inkomensbestanddelen die volgens artikel 10, tweede, derde en negende lid, artikel 15, eerste lid, artikel 16, eerste lid, artikel 17 en artikel 21, eerste en tweede lid, van dit Verdrag in de andere verdragsluitende staat mogen worden belast, voor zover deze bestanddelen in de in het eerste lid bedoelde grondslag zijn begrepen. Deze aftrek wordt berekend overeenkomstig de bepalingen in de wetgeving van Curaçao tot het vermijden van dubbele belasting. 5. Indien een inwoner van een verdragsluitende staat vermogen bezit dat, in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, in de andere verdragsluitende staat mag worden belast, dan stelt de eerstbedoelde staat dat vermogen vrij van belasting. De eerstbedoelde staat mag evenwel het vrijgestelde vermogen in aanmerking nemen om het bedrag van de belasting op het overige vermogen van die inwoner te berekenen. 6. In Suriname wordt dubbele belasting als volgt vermeden: Indien een inwoner van Suriname inkomsten verkrijgt, die in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag, in Curaçao mogen worden belast, zal Suriname als aftrek van die belasting op het inkomen van die inwoner een bedrag toestaan dat gelijk is aan de in Curaçao betaalde belasting; de aftrek toegestaan onder subparagraaf (a) van dit lid zal niet groter zijn dan dat deel van de Surinaamse inkomstenbelasting, zoals berekend voordat de aftrek wordt gegeven, dat kan worden toegerekend aan de inkomsten die in Curacao mogen worden belast; indien in overeenstemming met enige bepaling van dit Verdrag inkomsten verkregen door een inwoner van Suriname vrijgesteld zijn van belasting in Suriname, mag Suriname niettemin bij de berekening van het bedrag aan belasting over het resterende inkomen van die inwoner rekening houden met het vrijgestelde bedrag. 7. De belasting die is vrijgesteld of verlaagd krachtens de wettelijke bepalingen ter bevordering van investeringen in een van de Verdragsluitende Staten wordt geacht te zijn betaald voor de toepassing van dit artikel.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel