Naar hoofdinhoud

DEEL II › HOOFDSTUK 4

Artikel 4.4

Klimaatverandering

Onderdeel van Geavanceerde Kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en haar Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Chili, anderzijds· Financieel en economisch recht

1. De Partijen erkennen dat de dringende dreiging van klimaatverandering collectieve actie vereist voor een emissiearme en klimaatbestendige ontwikkeling. 2. De Partijen erkennen het belang van internationale regels en overeenkomsten op het gebied van klimaatverandering, met name het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te New York op 9 mei 1992 („UNFCCC”), de Overeenkomst van Parijs, en het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering, gedaan te Kyoto op 11 december 1997. 3. De Partijen zetten zich gezamenlijk in om hun samenwerking in het kader van het UNFCCC te versterken, om de Overeenkomst van Parijs en hun nationaal bepaalde bijdragen in het kader van die overeenkomst uit te voeren. 4. Die samenwerking kan bestaan uit: het samenwerken met het oog op de uitvoering van de toezeggingen en acties van vóór 2020 om voor wederzijds vertrouwen tussen de Partijen te zorgen; het mogelijk maken van verdere actie door de Partijen op basis van hun nationale debatten en beleidsanalyse; het ondersteunen van een op lage uitstoot van broeikasgassen gebaseerde economische ontwikkeling in overeenstemming met de Overeenkomst van Parijs; het ondersteunen van alle constructieve dialogen en verbintenissen in het kader van het UNFCCC, met name die welke tot stand zijn gebracht om de gezamenlijke vooruitgang naar verwezenlijking van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, zoals de algemene inventarisatie, te beoordelen; het ontwikkelen van een beleidsdialoog en samenwerking bij de uitvoering van het versterkte kader voor transparantie dat met de Overeenkomst van Parijs is ingevoerd, op onderling overeengekomen prioritaire gebieden, zoals de versterking van de nationale capaciteit om een hogere mate van transparantie te bereiken; het bevorderen van de bilaterale dialoog en samenwerking op terreinen van wederzijds belang om multilaterale processen te ondersteunen, waar passend, die een aanzienlijk effect kunnen hebben op de terugdringing van broeikasgasemissies van het internationale zeevervoer en de internationale luchtvaart, in het bijzonder in de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie en de Internationale Maritieme Organisatie; het bevorderen van binnenlandse klimaatbeleidsmaatregelen en klimaatprogramma’s die de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs tot matiging, aanpassing en afstemming van geldstromen, te ondersteunen, onder andere door middel van de doelen en acties die in de nationaal bepaalde bijdragen van de Partijen in het kader van die overeenkomst staan; het ondersteunen van acties om geldstromen af te stemmen op een traject naar broeikasgasarme en klimaatveerkrachtige ontwikkeling, waarbij de nadruk ligt op inclusieve klimaatfinanciering, die gericht is op de armste mensen en groepen die bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige effecten van klimaatverandering, zoals vrouwen en meisjes; het bevorderen van een dialoog over het versterken van aanpassingsbeleidslijnen en -maatregelen, onder andere met betrekking tot zaken die verband houden met de financiering van aanpassing, de evaluatie van resultaten en het vergroten van de veerkracht; het bevorderen van synergieën op het gebied van klimaatactie op alle niveaus tussen de overheid, maatschappelijke organisaties en particuliere bedrijven en het bevorderen van de deelname van de particuliere sector met het oog op een klimaatveerkrachtige economie met lage broeikasgasemissies; het bevorderen van economische beleidsinstrumenten voor acties op het gebied van klimaatverandering, zoals koolstofbeprijzing, marktgebaseerde instrumenten en koolstofheffingen, al naar gelang het geval; het bevorderen van de ontwikkeling en toepassing van commercieel levensvatbare emissiearme en andere klimaatvriendelijke technologieën; het bevorderen van wereldwijde inspanningen om inefficiënte subsidies voor fossiele brandstoffen die verspilling aanmoedigen, te rationaliseren en geleidelijk af te schaffen, waarbij ten volle rekening wordt gehouden met de specifieke behoeften en voorwaarden van ontwikkelingslanden, en het mogelijk nadelige effect op hun ontwikkeling tot een minimum wordt beperkt op een wijze die armen en getroffen gemeenschappen beschermt; het versterken van de bilaterale dialoog die kan ontstaan op andere gebieden van het klimaatbeleid en het streven om rekening te houden met de horizontale aanpak van de Overeenkomst van Parijs en de Agenda 2030.

Rechtspraak bij dit artikel