Naar hoofdinhoud
1. Het bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de documenten vermeld in het Uitvoeringsprotocol bij deze Overeenkomst. Wanneer dergelijke documenten worden overgelegd, erkennen de Partijen de nationaliteit zonder verdere formaliteiten. 2. Prima facie bewijs van de nationaliteit overeenkomstig artikel 2 kan worden geleverd door middel van de documenten of elementen vermeld in het Uitvoeringsprotocol bij deze Overeenkomst. Wanneer dergelijke documenten of elementen worden overgelegd, nemen de Partijen de nationaliteit als vaststaand aan, tenzij de aangezochte Staat het tegendeel kan bewijzen. 3. Indien geen van de in het eerste of tweede lid genoemde documenten of elementen kan worden overgelegd, doch er naar de mening van de verzoekende Staat een vermoeden bestaat met betrekking tot de nationaliteit van de terug te nemen persoon, dan treffen de bevoegde autoriteiten van de aangezochte Staat de vereiste maatregelen om de nationaliteit van de betrokkene vast te stellen. Indien dit door de verzoekende Staat noodzakelijk wordt geacht, vindt er een interview met de betrokkene plaats teneinde onder meer op basis van de taal waarin de persoon zich uitdrukt vast te stellen of het een eigen onderdaan betreft. 4. Het in het derde lid vermelde interview wordt persoonlijk of op afstand (bijvoorbeeld via videoconferentie) afgenomen door de diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging van de aangezochte Staat of een door de verzoekende Staat uitgenodigde delegatie van de aangezochte Staat, dan wel een in onderling overleg aangestelde deskundige.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel