Naar hoofdinhoud
1. Indien de verdragsluitende partijen, nadat de vergunninghoudersovereenkomst is goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten, overeenkomen dat de grenzen van het grensoverschrijdend veld zich uitstrekken tot een gebied dat niet onder een exploratie- of exploitatievergunning valt, dan spant de verdragsluitende partij aan wier zijde van de lijn het gebied is gelegen, zich zonder onredelijke vertraging in om de situatie te verhelpen door genoemd gebied voor vergunningverlening aan te bieden of door een aanvraag voor een vergunning in behandeling te nemen. 2. In het geval dat een exploitatievergunning wordt verleend die betrekking heeft op het gebied als bedoeld in het eerste lid, vereisen de verdragsluitende partijen van alle vergunninghouders met een belang in het grensoverschrijdend veld, dat zij regelingen overeenkomen voor de effectieve exploitatie van de koolwaterstoffen in dat gebied. Dergelijke regelingen worden getroffen binnen het door de verdragsluitende partijen afgesproken tijdvak, zijn in overeenstemming met de bepalingen van dit Verdrag en dienen te worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen. De bepalingen van artikel 14 en 15 zijn van toepassing op alle regelingen die de vorm hebben van een vergunninghoudersovereenkomst. 3. Indien er geen exploitatievergunning wordt verleend of indien een exploitatievergunning wel wordt verleend, maar de regelingen niet binnen het afgesproken tijdvak worden getroffen, beslissen de bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende partijen gezamenlijk over verder te nemen maatregelen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel