Naar hoofdinhoud
1. Dividenden betaald door een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat aan een inwoner van de andere verdragsluitende staat, mogen in die andere staat worden belast. 2. Deze dividenden mogen echter ook in de verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, overeenkomstig de wetgeving van die staat worden belast, maar indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden inwoner van de andere verdragsluitende staat is, mag de aldus geheven belasting niet overschrijden: in het geval van Thailand, 10 percent van het brutobedrag van de dividenden; in het geval van Nederland, 15 percent van het brutobedrag van de dividenden. 3. De bevoegde autoriteiten van de verdragsluitende staten kunnen in onderlinge overeenstemming de wijze van toepassing van het tweede lid regelen. 4. De bepalingen van het tweede lid laten de belastingheffing van het lichaam ter zake van de winst waaruit de dividenden worden betaald onverlet. 5. De uitdrukking „dividenden” zoals gebezigd in dit artikel, betekent inkomen uit aandelen, winstaandelen of winstbewijzen, mijnaandelen, oprichtersaandelen of andere rechten, niet zijnde schuldvorderingen, die aanspraak geven op een aandeel in de winst alsmede inkomen uit andere vennootschappelijke rechten die door de wetgeving van de staat waarvan het lichaam dat de uitdeling doet inwoner is, op dezelfde wijze aan de belastingheffing worden onderworpen als inkomen uit aandelen. 6. De bepalingen van het eerste, tweede en negende lid zijn niet van toepassing indien de uiteindelijk gerechtigde tot de dividenden, die inwoner is van een verdragsluitende staat, in de andere verdragsluitende staat waarvan het lichaam dat de dividenden betaalt inwoner is, een bedrijf uitoefent door middel van een aldaar gevestigde vaste inrichting of in die andere staat zelfstandige arbeid verricht vanuit een aldaar gelegen vast middelpunt, en het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van die vaste inrichting of dat vaste middelpunt behoort. In dat geval zijn, naargelang van het geval, de bepalingen van artikel 7 of artikel 14 van toepassing. 7. Indien een lichaam dat inwoner is van een verdragsluitende staat, winst of inkomen verkrijgt uit de andere verdragsluitende staat, mag die andere staat geen belasting heffen over de dividenden die door het lichaam worden betaald, behalve voor zover dergelijke dividenden worden betaald aan een inwoner van die andere staat of voor zover het bezit uit hoofde waarvan de dividenden worden betaald, tot het vermogen van een in die andere staat gelegen vaste inrichting of vast middelpunt behoort, noch de niet-uitgedeelde winst van het lichaam onderwerpen aan een belasting op niet-uitgedeelde winst van het lichaam, zelfs indien de betaalde dividenden of de niet-uitgedeelde winst geheel of gedeeltelijk bestaan uit winst die of inkomen dat uit die andere staat afkomstig is. 8. Niets in dit Verdrag mag zodanig worden uitgelegd dat een verdragsluitende staat belet wordt belasting te heffen over het overhevelen van winst uit die verdragsluitende staat in overeenstemming met de bepalingen van zijn nationale recht. De aldus opgelegde belasting mag echter niet hoger zijn dan het tarief dat in het tweede lid van dit artikel voor die verdragsluitende staat is bepaald. 9. Niettegenstaande de bepalingen van het eerste, tweede en zevende lid mogen dividenden betaald door een lichaam dat krachtens de wetgeving van een verdragsluitende staat inwoner van die staat is, aan een natuurlijke persoon die een inwoner van de andere verdragsluitende staat is en die, ter zake van het niet langer inwoner zijn van de eerstgenoemde staat, wordt belast over de waardevermeerdering van vermogen als bedoeld in het zesde lid van artikel 13, in overeenstemming met de wetgeving van die staat ook in die staat worden belast, maar uitsluitend voor zover er van de aanslag ter zake van de waardevermeerdering van vermogen nog een bedrag openstaat.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel