Deze verordening kan worden aangehaald als: de Afstemmings- en
handhavingsverordening WWB 2007.
Aldus vastgesteld in zijn openbare vergadering van 17 december 2007
Het algemeen bestuur voornoemd,
de secretaris, de voorzitter,
mevrouw A.E.W. van Limpt P.W.M. van Dongen
Aldus gewijzigd en vastgesteld in zijn openbare vergadering van 7 juli
2008 met als ingangsdatum 1
juli 2008-07-08.
de secretaris, de voorzitter,
mevrouw A.E.W. van Limpt R. van den Bos
Algemene Toelichting
De Wet werk en bijstand (WWB) kent de opdracht aan gemeenten om een
verordening vast te stellen
voor de verlaging van de uitkering bij het niet nakomen van
verplichtingen. In de
afstemmingsverordening wordt vastgelegd op welke wijze de uitkering
wordt verlaagd wegens
onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid of het niet nakomen
van verplichtingen. Deze
verordening bevat een normering met betrekking tot de verlaging van de
uitkering in het kader van de
WWB.
Ook geldt er de verplichting om in het kader van het financiële beheer
bij verordening regels te stellen
voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van bijstand alsmede
van misbruik en oneigenlijk
gebruik van de wet.
De gemeentebesturen van de gemeenten Heusden, Loon op Zand en Waalwijk
hebben de uitvoering
van de WWB opgedragen aan de Intergemeentelijke Sociale Dienst
Midden-Langstraat. In het kader
van deze verordening treedt bij de bepalingen van de WWB het 'algemeen
bestuur' in plaats van 'de
raad' en het 'dageljiks bestuur' in plaats van het 'college'.
In het door de gezamenlijke raden vastgestelde beleidsplan wordt aan de
Intergemeentelijke Sociale
Dienst Midden - Langstraat de opdracht gegeven op een geheel eigen
manier de uitvoering van de
WWB ter hand te nemen op basis van een eensluidend en gemeenschappelijk
beleid.
Enkele belangrijke uitgangspunten daarbij zijn:
o stringente participatieplicht
o de eigen verantwoordelijkheid van de klant staat voorop
o invoering Workfirst model
o resultaatgerichte uitvoering WWB met als doel beheersing van het
uitkeringsvolume
Om deze uitgangspunten te kunnen waarmaken is het van belang om een
stringente uitvoering te
geven aan de uitvoering van deze verordening in combinatie met de
Re-integratieverordening.
De uitgangspunten van deze verordening dienen middels een goede
voorlichting aan de
belanghebbenden gecommuniceerd te worden.
Wanneer wordt geconstateerd dat de belanghebbende zich niet houdt aan de
uit de wet
voortvloeiende verplichtingen (inclusief de verplichtingen die de
belanghebbende middels een
beschikking zijn opgelegd) of anderszins onvoldoende besef van
verantwoordelijkheid toont, kan de
bijstand tijdelijk worden verlaagd. Dit houdt ook in dat als de
belanghebbende geen juiste informatie
verstrekt de uitkering lager kan worden vastgesteld.
Het niet voldoen aan een bepaalde verplichting weegt niet in alle
gevallen even zwaar. Bij het
vaststellen van de verlaging dient rekening te worden gehouden met de
persoonlijke omstandigheden
en de individueel vastgestelde verplichtingen. Dit kan inhouden dat
bijvoorbeeld op grond van
dringende redenen gemotiveerd geheel of gedeeltelijk wordt afgezien van
verlagen van de uitkering.
Benadrukt wordt dat in ieder geval van een verlaging van de uitkering
wordt afgezien indien elke vorm
van verwijtbaarheid ontbreekt. Te denken valt daarbij aan situaties
waarbij de belanghebbende door
overmacht niet in staat is geweest een of meer afspraken volledig na te
komen.
De eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening
houdt in dat aan het
verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze
verplichtingen gelden vanaf de
melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld. Als
bijvoorbeeld bij aanvang van de
uitkering blijkt dat de belanghebbende door eigen toedoen zijn baan
heeft verloren en als gevolg
daarvan een beroep moet doen op bijstand, is hij daardoor niet de
verplichting nagekomen om waar
mogelijk in het eigen bestaan te voorzien. Dit geldt ook in situaties
waarin belanghebbende door zijn
handelen of nalaten het recht verspeelt op een voorliggende voorziening,
bijvoorbeeld een uitkering
op grond van de Werkloosheidswet, of wanneer hij zijn vermogen te snel
heeft ingeteerd. Verder kan
het gaan om situaties waarin de belanghebbende te weinig zijn best heeft
gedaan om aan het werk te
komen, bijvoorbeeld door te weinig te solliciteren of door het weigeren
van aangeboden arbeid.
Het dagelijks bestuur kan de verlaging voor een bepaalde periode
opleggen of totdat de
belanghebbende de tekortkomingen heeft hersteld. Het dagelijks bestuur
beoordeelt drie maanden na
de datum van de beschikking of de omstandigheden en het gedrag van de
belanghebbende
aanleiding geven de beslissing te herzien.
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
8
Bij het besluit tot het verlagen van de bijstand én bij de heroverweging
vormen de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur centrale uitgangspunten.
De normering van de verlagingen bestaat uit een categorisering van
gedragingen die betrekking
hebben op het niet nakomen van de aan de uitkering verbonden
verplichtingen. Naargelang de ernst
van het verwijtbaar handelen worden verschillende gestandaardiseerde
verlagingen van de uitkering
voorgeschreven. De categorisering van de gedragingen corresponderend met
de aan de uitkering
verbonden verplichtingen, brengt in samenhang met de genormeerde
afstemming van de uitkering tot
uitdrukking welk gewicht aan het niet voldoen van een bepaalde
verplichting wordt toegekend.
Daarnaast wordt bij uitkeringsfraude een verlaging toegepast die is
afgestemd op de hoogte van de
ten onrechte ontvangen bijstand.
Aan de indeling in categorieën ligt het criterium ten grondslag dat de
ernst van het feit toeneemt,
naarmate het niet nakomen van een verplichting concretere gevolgen heeft
voor het verkrijgen van
betaalde arbeid. Bij de beoordeling van de ernst van het feit is
derhalve onder meer van belang of er
sprake is van onvoldoende eigen initiatief en de kansen op
arbeidsinschakeling door eigen toedoen
worden verminderd of zelfs teniet worden gedaan.
Door de normering van de afstemming in deze verordening wordt beoogd
rechtsgelijkheid en
rechtszekerheid te bevorderen, zonder dat hierbij afbreuk wordt gedaan
aan de mogelijkheid tot
individualisering, door altijd te kijken of de situatie van de
belanghebbende aanleiding kan geven om
af te wijken van de standaard verlaging.
De verlaging van de uitkering zal naar rato op de samengestelde
bijstandsuitkering (algemene norm
en gemeentelijke toeslag) worden toegepast. In het geval van een
jongmeerderjarige, die naast de
algemene bijstand bijzondere bijstand ontvangt voor de algemeen
noodzakelijke kosten van het
bestaan, zal de verlaging op de algemene bijstand en de bijzondere
bijstand worden toegepast.
Hierdoor worden de consequenties van verwijtbaar gedrag over de hele
toegekende bijstand
geëffectueerd.
Deze verordening is overeenkomstig van toepassing op verwijtbare
gedragingen die hebben
plaatsgevonden in het kader van de Wet inburgering nieuwkomers (artikel
18, vijfde lid, van de WIN).
Een boete blijft bij de WIN achterwege indien voor dezelfde gedraging in
het kader van de WWB een
verlaging is toegepast.
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
9
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Hoofdstuk 1: ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1 Begripsomschrijving
De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een
gelijkluidende betekenis als de
omschrijving in de WWB.
In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip
wordt in artikel 1:2 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang
rechtstreeks bij een besluit
is betrokken’.
Artikel 2 Het verlagen van de uitkering
1.De WWB verbindt aan het recht op een bijstandsuitkering de volgende
verplichtingen:
. Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de
voorziening in het
bestaan (artikel 18, tweede lid).
. De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9). Deze plicht bestaat uit
twee soorten
verplichtingen:
o de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen
en deze te
aanvaarden; en
o de plicht gebruik te maken van een door het dagelijks bestuur
aangeboden
voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling.
Deze verplichtingen zullen nader moeten worden uitgewerkt in specifieke
verplichtingen
die zijn toegesneden op de situatie en mogelijkheden van de
bijstandsgerechtigde. De reintegratieverordening
vormt de juridische basis voor het opleggen van deze specifieke
verplichtingen. Deze verplichtingen zullen in het besluit tot het
verlenen van bijstand
moeten worden neergelegd.
. De inlichtingenplicht (artikel 17, eerste lid). Op een
uitkeringsgerechtigde rust de
verplichting aan het dagelijks bestuur op verzoek of onverwijld uit
eigen beweging
mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem
redelijkerwijs
duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn
arbeidsinschakeling of het recht
op bijstand.
. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid). Dit is de plicht van
uitkeringsgerechtigden
om desgevraagd het dagelijks bestuur de medewerking te verlenen die
redelijkerwijs
nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit
allerlei concrete
verplichtingen bestaan, zoals:
o het toestaan van huisbezoek;
o het meewerken aan een psychologisch onderzoek.
Artikel 18, tweede lid, noemt een gedraging die in ieder geval een
schending van de
medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het dagelijks bestuur of
zijn ambtenaren zeer
ernstig misdragen’.
De Wet SUWI legt ook verplichtingen op aan uitkeringsgerechtigden. Het
betreft de verplichting om
alle gevraagde gegevens en bewijsstukken aan de Centrale organisatie
werk en inkomen te
verstrekken die nodig zijn voor de beslissing door het dagelijks bestuur
(artikel 28, tweede lid Wet
SUWI) en de verplichting om op verzoek of onverwijld uit eigen beweging
alle feiten en
omstandigheden mee te delen aan de Centrale organisatie werk en inkomen,
waarvan hem
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op bijstand, het geldend
maken van het recht bijstand of de hoogte of de duur van de bijstand
(artikel 29, eerste lid Wet SUWI).
2.In de afstemmingsverordening zijn voor allerlei gedragingen die een
schending van een
verplichting betekenen, standaardverlagingen vastgesteld in de vorm van
een vaste (procentuele)
verlaging van de bijstandsnorm.
In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd: het dagelijks bestuur
dient een verlaging af te stemmen
op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van
verwijtbaarheid. Deze
bepaling brengt met zich mee dat het dagelijks bestuur bij elke
verlaging zal moeten nagaan of gelet
op de individuele omstandigheden van de betrokken uitkeringsgerechtigde
afwijking van de hoogte en
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
10
de duur van de voorgeschreven standaardverlaging geboden is. Afwijking
van de standaardverlaging
kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.
Dit betekent dat het dagelijks bestuur bij het beoordelen of een
verlaging moet worden toegepast, en
zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:
Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.
Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.
Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de
uitkeringsgerechtigde.
De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het
standaardpercentage waarmee de bijstand
wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van
verwijtbaarheid wordt verwezen naar de
toelichting bij artikel 5.
Matiging van de verlaging wegens persoonlijke omstandigheden kan
bijvoorbeeld in de volgende
gevallen aan de orde zijn:
o bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende
o sociale omstandigheden.
Artikel 3 De berekeningsgrondslag
In het eerste lid is het uitgangspunt vastgelegd dat een verlaging wordt
toegepast op de
bijstandsnorm. Onder de bijstandsnorm wordt verstaan de wettelijke norm,
inclusief gemeentelijke
toeslag of verlaging en inclusief vakantietoeslag.
In het tweede lid wordt de mogelijkheid geopend de bijzondere bijstand
te verlagen. Dit geldt zowel
voor de bijzondere bijstand die bestemd is voor de kosten van
levensonderhoud van 18- tot 21-jarigen
als aanvulling op de lage jongerennorm, maar ook voor de overige
gevallen waarin bijzondere bijstand
aan de orde komt. In dit geval moet er een oorzakelijk verband zijn
tussen de verwijtbare gedraging en
het recht op bijstand.
In het derde lid is de mogelijkheid opgenomen de bijstandsverlening te
baseren op een geldlening als
er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor
de voorziening in de kosten
van het bestaan.
Artikel 4 Het besluit tot verlaging van de bijstand
Het verlagen van de bijstand vanwege het niet voldoen aan een of
meerdere op grond van de WWB
opgelegde verplichtingen, vindt plaats door middel van een besluit.
Wanneer de verlaging op een
lopende uitkering wordt toegepast, wordt een besluit tot vaststelling
van de algemene bijstand op
grond van artikel 45 WWB genomen.
Wordt een verlaging met terugwerkende kracht toegepast, dan moet een
besluit tot herziening van de
bijstand worden genomen (artikel 54, derde lid WWB). Tegen beide
besluiten kan door de
belanghebbende bezwaar en beroep worden aangetekend.
In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet
worden vermeld. Deze eisen
vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en
dan met name het
motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat
een besluit kenbaar is en van
een deugdelijke motivering wordt voorzien.
Artikel 5 Afzien van verlaging van de bijstand
1.Het afzien van een verlaging ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’
ontbreekt, is geregeld in
artikel 18, tweede lid, WWB.
Een andere reden om af te zien van een verlaging is dat de gedraging te
lang geleden heeft
plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’)
is het nodig dat een verlaging
spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt toegepast. Om deze
reden wordt onder b.
geregeld dat het dagelijks bestuur geen verlagingen toepast bij
gedragingen die langer dan één jaar
geleden hebben plaatsgevonden.
Voor gedragingen die een schending van de inlichtingenplicht inhouden en
als gevolg waarvan ten
onrechte bijstand is verleend of een te hoog bedrag aan bijstand is
verleend, geldt een
verjaringstermijn van vijf jaar.
2.Hierin wordt geregeld dat het dagelijks bestuur kan afzien van een
verlaging indien het
daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is
afhankelijk van de
concrete situatie.
Men kan daarbij o.a. denken aan persoonlijke omstandigheden, zoals:
??bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
11
??sociale omstandigheden
3.Het doen van een schriftelijke mededeling dat het dagelijks bestuur
afziet van een verlaging
wegens dringende redenen is van belang in verband met eventuele
recidive.
Artikel 6 Ingangsdatum, tijdvak en recidive7
1.In dit lid is geregeld dat, behalve indien in de verordening anders
staat vermeld, een verlaging naar
de toekomst toe wordt toegepast. Dit wil zeggen dat de verlaging na
constatering direct geëffectueerd
wordt zonder herziening van het recht.
2.Wanneer een uitkeringsbedrag nog niet (volledig) aan de
bijstandsgerechtigde is uitbetaald, kan het
praktisch zijn om de verlaging te verrekenen met het bedrag dat nog moet
worden uitbetaald. In dat
geval moet de bijstand wel worden herzien.
3.Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging opnieuw
sprake is van een verwijtbare
gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking
gebracht in een verdubbeling van
de duur van de verlaging. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de
eerste gedraging verstaan die
aanleiding is geweest tot een verlaging, ook indien de verlaging wegens
dringende redenen niet is
geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 24
maanden, geldt het tijdstip
waarop het besluit over de verlaging is medegedeeld, bekend is
gemaakt.
In het geval dat ten aanzien van de vorige maatregel individualisering
is toegepast, dient, afhankelijk
van de categorie, bij een herhaald verwijtbaar gedrag eerst de bij die
categorie voorgeschreven
maatregel te worden gehanteerd en wordt de standaardperiode van een
maand verdubbeld.
Vervolgens is op die maatregel individualisering van toepassing. Er
vindt dus geen verdubbeling
plaats van de geïndividualiseerde periode van de vorige maatregel.
Het kan ook voorkomen dat een belanghebbende in de periode van verlaging
opnieuw niet voldoet
aan de verplichtingen. Is er sprake van een (andere) verwijtbare
gedraging dan wordt de uitkering
afgestemd met een nieuwe maatregel, gebaseerd op de betreffende
grondslag. Een combinatie van
maatregelen is dus mogelijk. Dit laat echter onverlet dat steeds
rekening gehouden moet worden met
de omstandigheden waarin een persoon verkeert.
4.Wanneer een belanghebbende volhardt in zijn verwijtbare gedragingen
kan een verlaging, voor
langer dan 3 maanden opgelegd worden. Er zal dan telkens binnen 3
maanden een heroverweging
van de verlaging plaats dienen te vinden. Bij deze heroverweging hoeft
niet opnieuw een besluit te
worden genomen en alle feiten en omstandigheden hoeven niet opnieuw
beoordeeld te worden. Een
marginale beoordeling volstaat. Er dient slechts beoordeeld te worden of
het redelijk is om de
vastgestelde verlaging te continueren. Hierbij dient allereerst gekeken
te worden of de
uitkeringsgerechtigde thans wel aan zijn verplichtingen voldoet. Wanneer
dit het geval is kan besloten
worden om af te zien van continuering van de verlaging van de uitkering.
Wanneer de
uitkeringsgerechtigde nog steeds niet voldoet aan zijn verplichtingen
dan zal alsnog gekeken dienen
te worden naar de omstandigheden waarin de uitkeringsgerechtigde
verkeert. In een dergelijke
situatie kan ook overwogen worden om het percentage waarmee de uitkering
verlaagd wordt te
verhogen, omdat de reeds toegepaste verlaging kennelijk niet het
gewenste effect heeft.
Artikel 7 Samenloop van gedragingen
De regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op
verschillende gedragingen van
een bijstandsgerechtigde die (min of meer) gelijktijdig
plaatsvinden.
Indien sprake is van meerdere gedragingen met als gevolg daarvan
meerdere schendingen van de
verplichtingen, dient voor het toepassen van de verlaging te worden
uitgegaan van de gedraging
waarop de hoogste verlaging van toepassing is.
Hoofdstuk 2: GEEN OF ONVOLDOENDE MEDEWERKING VERLENEN AAN HET
VERKRIJGEN
OF BEHOUDEN VAN ALGEMEEN GEACCEPTEERDE ARBEID.
7 De toelichting op artikel 6, derde lid is met de laatste 2 alinea’s
uitgebreid bij besluit van het Algemeen Bestuur van 17
december 2007.
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
12
Artikel 8 Categorieën
De gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende
medewerking verlenen aan het
verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, worden in drie
categorieën
onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend
criterium. Een gedraging
wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft
voor het niet verkrijgen of
behouden van betaalde arbeid. Dit is volledig in lijn met het
gedachtegoed achter de WWB: een klant
dient zelf alles in het werk te stellen om aan het werk te komen dan wel
te blijven..
De eerste categorie, onderdeel 1 betreft een aantal formele
verplichtingen.
De tweede categorie, onderdeel a betreft de verplichting tot een actieve
opstelling op de arbeidsmarkt
waaronder de eigen verantwoordelijkheid van belanghebbende om
bijvoorbeeld voldoende te
solliciteren.
De tweede categorie, onderdeel b. Bij toekenning van de bijstand of in
een later stadium kan aan de
belanghebbende, die niet in staat is om op eigen kracht weer in zijn
levensonderhoud te voorzien, de
verplichting worden opgelegd om:
o mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden en de
benodigde
voorzieningen zoals vastgelegd in de Re-integratieverordening Wet werk
en bijstand;
o deel te nemen aan een concreet aangeboden traject dat uiteindelijk
moet leiden tot
uitstroom of zelfstandige maatschappelijke participatie.
De arbeidsinschakeling wordt direct geschaad, wanneer de belanghebbende
deze verplichting niet of
onvoldoende nakomt, hetgeen gevolgen kan hebben voor de duur van de
aanspraak op bijstand. Het
niet of onvoldoende verlenen van medewerking aan een traject zal immers
leiden tot vertraging van
dat traject. De gedragingen bedoeld in deze subcategorie hebben echter
niet tot gevolg dat het traject
(definitief) geen doorgang vindt of moet worden beëindigd. Van
onvoldoende medewerking is in ieder
geval sprake als de belanghebbende niet op afspraken bij het
reïntegratiebedrijf verschijnt,
opdrachten in het kader van een scholing niet naar behoren uitvoert of
zich niet coöperatief opstelt ten
aanzien van een diagnostisch onderzoek.
De te late terugkeer van verblijf in het buitenland kan eveneens het
nakomem van de plicht tot
arbeidsinschakeling belemmeren. Onder deze plicht valt ook het gebruik
maken van een door het
college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering,
gericht op
arbeidsinschakeling en ook het meewerken aan een onderzoek naar de
mogelijkheden tot
arbeidsinschakeling.
De derde categorie, onderdeel a, betreft het niet aanvaarden van
algemeen geaccepteerde arbeid.
Het kan hierbij om allerlei soorten arbeid gaan: gesubsidieerd of
regulier, fulltime of parttime, tijdelijk of
voor onbepaalde duur.
De derde categorie, onderdeel b, betreft het door eigen toedoen
(verwijtbaar) voorafgaand aan de
aanvraag algemeen geaccepteerde arbeid niet behouden dan wel tijdens de
bijstand deeltijdarbeid
niet behouden. Hieronder wordt ook verstaan het niet correct uitoefenen
van het beroep als
zelfstandige.
Bij de derde categorie, onderdeel c, gaat het om dezelfde soort
gedragingen als bedoeld in de tweede
categorie onder b, echter met dit belangrijke verschil dat de gedraging
heeft geleid tot het (definitief)
geen doorgang vinden of afbreken van een traject. In de praktijk zal
beëindiging van een traject veelal
pas plaatsvinden nadat de belanghebbende door zijn gedrag herhaaldelijk
heeft laten blijken niet mee
te willen werken aan voorzieningen gericht op een zo spoedig mogelijke
inschakeling in het
arbeidsproces. Ook kan een zeer ernstige gedraging, bijvoorbeeld
diefstal tijdens een proefplaatsing,
tot beëindiging van het traject leiden. In alle gevallen betreft het
gedragingen die de kans op uitstroom
voor langere tijd vrijwel onmogelijk maken. Zonder traject is
inschakeling in de arbeid voor de
desbetreffende belanghebbende immers niet mogelijk.
Sociale activering – Work First
In het kader van sociale activering kunnen uitkeringsgerechtigden
verplicht worden om
vrijwilligersactiviteiten c.q. maatschappelijke zinvolle activiteiten te
verrichten. Voor zover deze
activering gericht is op arbeidsinschakeling kan bij het niet nakomen
van de verplichting de uitkering
hierop worden afgestemd. Als arbeidsinschakeling niet aan de orde is,
heeft de verordening geen
werkingskracht.
Artikel 9 De hoogte en duur van de verlaging
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
13
Deze bepaling bevat de standaardverlagingen voor de drie categorieën van
gedragingen die verband
houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het
verkrijgen of behouden van
algemeen geaccepteerde arbeid.
Hoofdstuk 3: INLICHTINGENPLICHT
Artikel 10 Te laat verstrekken van inlichtingen
Indien een cliënt de voor de verlening van de bijstand van belang zijnde
gegevens of gevorderde
bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het dagelijks bestuur het
recht op bijstand voor de duur van
ten hoogste 8 weken opschorten (artikel 54, eerste lid, WWB). Het
dagelijks bestuur doet mededeling
van de opschorting aan de belanghebbende en geeft daarbij belanghebbende
een termijn waarbinnen
hij zijn verzuim kan herstellen (artikel 54, tweede lid, WWB). Artikel
54 betreft een bevoegdheid voor
het dagelijks bestuur. Mede daardoor en vanuit
doelmatigheidsoverwegingen wordt in het midden
gelaten op welk moment de belanghebbende van de opschorting in kennis
wordt gesteld.
Wordt de gevraagde informatie vervolgens niet binnen de gestelde termijn
aan de gemeente verstrekt,
dan kan het dagelijks bestuur de bijstand stopzetten (het intrekken van
het besluit tot toekenning van
de bijstand). Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn
verstrekt, dan wordt de
bijstand ongewijzigd voortgezet.
Artikel 11 Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen
0.In dit artikel wordt de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het
verstrekken van onjuiste of
onvolledige inlichtingen of het niet tijdig verstrekken van
inlichtingen, zonder dat deze
gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de bijstand. Bijvoorbeeld
het niet opgeven
van een vermogensbestanddeel onder de vermogensgrens. De 'kan'-bepaling
biedt de
mogelijkheid een daadwerkelijke verlaging achterwege te laten en te
volstaan met een
waarschuwing. Dit kan gerechtvaardigd zijn bij een kennelijke vergissing
van niet
zwaarwegende aard. De waarschuwing moet wel in een beschikking aan
de
belanghebbende kenbaar gemaakt worden. Daarbij moet deze geattendeerd
worden op
de mogelijke gevolgen van het nogmaals vertonen van dit gedrag.
0.De verlaging wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de
inlichtingenplicht bedoeld
in artikel 17 van de WWB wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het
bedrag aan
bijstand dat als gevolg van de schending van die verplichting ten
onrechte of te veel aan
de belanghebbende is betaald.
0.In dit lid wordt de hoogte van de verlaging geregeld.
De relatie met de strafrechtelijke sanctie
Onder het boeteregime van de Algemene Bijstandswet bestond de +
verplichting voor gemeenten om
proces-verbaal op te maken en aangifte te doen bij het Openbaar
Ministerie indien er sprake is van
fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan € 6.000,- (de
aangifterichtlijn sociale zekerheid). Het is
de bedoeling dat deze taakverdeling tussen gemeenten en het OM blijft
bestaan, ook al kent de WWB
de bestuurlijke boete niet en zullen gemeenten bij fraude (in casu het
niet nakomen van de
inlichtingenplicht) een verlaging moeten toepassen.
In gevallen waarin de hoogte van het fraudebedrag daartoe aanleiding
geeft, doet het dagelijks
bestuur aangifte bij het Openbaar Ministerie. Richtlijnen hiervoor zijn
opgenomen in de 'Aanwijzing
sociale zekerheidsfraude'. Uitgangspunt is dat bestuursrechtelijke
afdoening plaats vindt in de
categorie I-situaties (bruto fraudebedrag lager dan € 6.000). Bij het
doen van aangifte wordt afgezien
van een verlaging wegens de inlichtingenfraude. Anders is er sprake van
een dubbele bestraffing, wat
in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'. Van een dubbele
bestraffing is echter geen sprake,
indien belanghebbende voor een ander rechtsfeit wordt vervolgd dan voor
inlichtingenfraude. Indien
een belanghebbende inkomsten uit de handel in softdrugs heeft verzwegen
en hij wordt strafrechtelijk
vervolgd voor deze overtreding van de Opiumwet, staat het beginsel van
'ne bis in idem' niet in de weg
aan het toepassen van een verlaging.
Artikel 12 Onverwijld
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
14
Artikel 13 Overige bepalingen schending inlichtingenplicht
Indien de verlaging als gevolg van beëindiging van de uitkering niet of
niet volledig geëffectueerd kan
worden is het mogelijk de verlaging over een toekomstig recht op te
leggen. Indien belanghebbende
op een later tijdstip wederom een uitkering aanvraagt, kan de maatregel
alsnog worden uitgevoerd.
Belanghebbende dient bij het besluit van de beëindiging van de uitkering
en/of de terugvordering van
de ten onrechte genoten uitkering op de hoogte gesteld te worden dat er
een maatregel opgelegd kan
worden over een eventueel toekomstig recht op bijstand.
Hoofdstuk 4: OVERIGE GEDRAGINGEN DIE LEIDEN TOT EEN VERLAGING
Artikel 14 Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
1.De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te tonen
voor de voorziening in
het bestaan geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd.
Dit betekent dat wanneer
iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een
tekortschietend besef van
verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt
over de middelen om in de
kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een
bijstandsuitkering aanvraagt, de
gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan
houden.
Bij de vaststelling van de duur van de verlaging dient beoordeeld te
worden hoe lang betrokkene
onafhankelijk van bijstand zou zijn gebleven, indien hij wel voldoende
besef van verantwoordelijkheid
had betoond.
Een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid kan uit allerlei
gedragingen blijken, zoals:
o een onverantwoorde besteding van vermogen;
o geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening;
o het niet nakomen van de verplichting tot instellen
alimentatievordering.
Het is niet mogelijk om een limitatieve opsomming te geven van alle
gedragingen die leiden tot een
tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
2.Het tweede lid regelt de hoogte van de verlaging bij tekortschietend
besef van
verantwoordelijkheid.
3.Bij het onverantwoord interen van vermogen is er voor gekozen om het
benadelingsbedrag,
zijnde het bedrag dat belanghebbende onverantwoord ingeteerd heeft
waardoor hij eerder een beroep
dient te doen op de bijstand, als basis te laten dienen voor de
verlaging.
In de gevallen dat betrokkene bij het indienen van de aanvraag om
uitkering niet kan beschikken over
middelen dient met toepassing van artikel 2, lid 2 maatwerk geleverd te
worden.
Matiging van de verlaging kan plaatsvinden wegens persoonlijke
omstandigheden en sluit aan bij de
feitelijke situatie van de belanghebbende. Voor zover een verlaging van
100% onwenselijk is door het
ontbreken van liquide middelen kan op grond van het 2de lid van artikel
48 WWB bijstand in de vorm
van een geldlening worden verstrekt.
Artikel 15 Zeer ernstige misdragingen
Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van
agressie worden verstaan, zij
het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het
normale menselijke verkeer in
alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.
Gemeenten kunnen alleen een verlaging toepassen indien er een verband
bestaat tussen de ernstige
misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het
vaststellen van het recht op een
uitkering.
In artikel 18, tweede lid, wordt gesproken over ‘het zich jegens het
college (lees:dagelijks bestuur)
zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag
tegenover leden van het
dagelijks bestuur en hun ambtenaren aanleiding kan zijn voor een
verlaging. Een verlaging is dus niet
mogelijk als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een
medewerker van een andere
organisatie die belast is met de uitvoering van de WWB (bijvoorbeeld een
reïntegratiebedrijf). Het is in
dat geval wellicht wel mogelijk om een verlaging toe te passen wegens
het niet of onvoldoende
gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (zie
artikel 8 van deze
verordening).
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
15
Bij het vaststellen van de hoogte van de verlaging in de situatie dat
een uitkeringsgerechtigde zich
ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de
gedraging, de mate van
verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de
betrokkene.
Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, kunnen de
volgende vormen van agressief
gedrag in een oplopende reeks (steeds ernstiger) worden
onderscheiden:
o verbaal geweld (schelden);
o discriminatie;
o intimidatie (uitoefenen van psychische druk);
o zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);
o mensgericht fysiek geweld;
o combinatie van agressievormen.
Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken
moeten worden naar de
omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaats gehad.
In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen
instrumenteel geweld en
frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het
toepassen van geweld bewust
gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen
van een uitkering). Agressie die
ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan
worden aangeduid met
frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van
verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in
beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.
Het toepassen van een verlaging staat geheel los van het doen van
aangifte bij de politie. Het
dagelijks bestuur past een verlaging toe, terwijl de organisatie tegen
wie de agressie zich richtte
aangifte kan doen bij de politie.
Artikel 16 Nadere verplichtingen
In artikel 55 van de wet wordt de mogelijkheid geboden om naast de in
Hoofdstuk 2 van de wet
opgenomen verplichtingen aan belanghebbende bepaalde andere
verplichtingen op te leggen die
strekken tot arbeidsinschakeling of vermindering dan wel beëindiging van
de bijstand. De verplichting
om zich onder medische behandeling te stellen, is expliciet opgenomen in
het artikel. Een ander
voorbeeld is de verplichting om zich als woningzoekende in te schrijven
indien er woonkostentoeslag
wordt verstrekt voor een te hoge huur.
Hoofdstuk 5: HANDHAVINGSBELEID
Artikel 17 Handhavingsplan
Artikel 8a WWB bepaalt dat de gemeenteraad in het kader van het
financiële beheer bij verordening
regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van
bijstand alsmede van misbruik en
oneigenlijk gebruik van de wet. Het doel van dit artikel is de
handhaving van de WWB en het
fraudebeleid op de agenda van de gemeenteraden te zetten. Afgezien van
de korte bepaling van
artikel 8a van de WWB zijn er geen nadere aanduidingen over wat nu
precies in de bedoelde
verordening moet worden geregeld.
De ISD heeft een bevoegdheid om haar eigen regels te bepalen omtrent
handhaving. Gezien de
relatie tussen het handhavings- en het afstemmingsbeleid is er voor
gekozen om de al bestaande
afstemmingsverordening aan te passen en om te bouwen naar een
afstemmings- en
handhavingsverordening WWB.
De feitelijke invulling van het handhavingsbeleid op hoofdlijnen door
het algemeen bestuur krijgt op
basis van artikel 17 invulling door de vaststelling van een
handhavingsplan, gebaseerd op de
uitgangspunten van hoogwaardige handhaving.
In het 2de lid van artikel 17 is aangegeven welke onderdelen in ieder
geval in het handhavingsplan aan
bod zullen komen. Vervolgens zal jaarlijks in het beleidsplan worden
stil gestaan bij de uitgangspunten
en de effecten van het handhavingsbeleid.
Afstemmings- en handhavingsverordening WWB 2007
16
Hoofdstuk 5: SLOTBEPALINGEN
Artikel 18 Beleid
In deze verordening is het beleid in hoofdlijnen vastgelegd. Om in de
toekomst flexibel te kunnen
optreden is in dit artikel opgenomen dat het dagelijks bestuur bevoegd
is om nadere beleidsregels op
te stellen.
Hier kan men denken aan de uitwerking van 'de verwijtbaarheid', door
bijvoorbeeld aan te geven
welke gedragingen in principe altijd verwijtbaar worden geacht en welke
gedragingen in beginsel
nooit. Ook kan in beleidsregels worden vastgelegd in welke gevallen
sprake is of kan zijn van
verzachtende omstandigheden.
Artikel 19 Inwerkingtreding
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Artikel 20 Citeerartikel
Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.
Hoofdstuk 6:
Artikel 20
Citeerartikel
Onderdeel van Afstemmings- en handhavingsverordening Wet werk en bijstand 2007