**1..** In deze afdeling wordt verstaan onder:
boom:
een houtachtig, overblijvend gewas met een
dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 30 centimeter op
1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van
meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste
stam. In het kader van een herplant- of
instandhoudingplicht kunnen voorschriften worden gesteld
en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 30
centimeter dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het
maaiveld;
houtopstand:
één
of meer bomen, hakhout, een
houtwal
een
grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een
beplanting van
bosplantsoen;
hakhout:
één
of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de
stronk uitlopen.
knotten/kandelaren:
het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van
uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaarde bomen of
leibomen als periodiek noodzakelijk
onderhoud;
de
bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge
artikel 1, vijfde lid, van de
Boswet;
iepziekte:
de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi
(Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C.
Moreau);
iepenspintkever:
het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot
de soorten Scolytus scolytus (F) en Scolytus
multistriatus (Marsh) en Scolytus
pygmaeus
**2..** In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met
inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van
handelingen,
zowel boven- als ondergronds, die de
dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand
tot
gevolg
kunnen hebben.
Hoofdstuk 4. › Afdeling 3.
Artikel 4:9
Begripsbepalingen
Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening