Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4. › Afdeling 3.

Artikel 4:9

Begripsbepalingen

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening

1.. In deze afdeling wordt verstaan onder: boom: een houtachtig, overblijvend gewas met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 30 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingplicht kunnen voorschriften worden gesteld en maatregelen genomen worden voor bomen kleiner dan 30 centimeter dwarsdoorsnede op 1,3 meter boven het maaiveld; houtopstand: één of meer bomen, hakhout, een houtwal een grotere (lint)begroeiing van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen; hakhout: één of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen. knotten/kandelaren: het tot op de oude snoeiplaats verwijderen van uitgelopen takhout bij knotbomen, gekandelaarde bomen of leibomen als periodiek noodzakelijk onderhoud; de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de Boswet; iepziekte: de aantasting van iepen door de schimmel Ophiostoma ulmi (Buism.) Nannf. (syn. Ceratocystis ulmi (Buism.) C. Moreau); iepenspintkever: het insect, in elk ontwikkelingsstadium, behorende tot de soorten Scolytus scolytus (F) en Scolytus multistriatus (Marsh) en Scolytus pygmaeus 2.. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand tot gevolg kunnen hebben.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel