Naar hoofdinhoud

Paragraaf

Artikel 1.

Een maatregel wordt opgelegd indien:

Onderdeel van Aanpassingen van de uitkering in de WWB, IOAW en IOAZ

er sprake is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voorbeelden hiervan zijn: geen gebruik maken van voorliggende voorzieningen; niet (tijdig) reserveren voor bepaalde uitgaven; onverantwoorde besteding van vermogen; er onvoldoende is meegewerkt aan het verkrijgen of behouden van arbeid in dienstbetrekking. Hieronder vallen gedragingen als niet (voldoende) solliciteren, weigeren van algemeen geaccepteerde arbeid en verwijtbaar ontslag; niet binnen de daarvoor gestelde termijn aan de gemeente of het CWI alle feiten en omstandigheden zijn gemeld, die relevant zijn voor de arbeidsinschakeling of het recht op bijstand (inlichtingenplicht). Het gaat hierbij om situaties waarbij termijnen zijn vastgesteld waarbinnen gegevens moeten worden verstrekt, bijvoorbeeld bij aanvraag of heronderzoek; niet de gevraagde medewerking wordt verleend die nodig is voor het uitvoeren van de WWB. Bijvoorbeeld het verlenen van medewerking aan verificatie van gegevens bij een huisbezoek; niet op verzoek terstond een identiteitsbewijs ter inzage wordt verstrekt; een andere aan de bijstand verbonden verplichting op grond van hoofdstuk 2 van de WWB niet of niet behoorlijk is nagekomen. Hieronder vallen onder meer de verplichtingen die zijn gericht op arbeidsinschakeling. Maatregelschema Het schema zoals opgenomen in de toelichting, benoemt welke gedraging verwijtbaar is en in welke categorie de verwijtbare gedraging valt. Als de categorie is vastgesteld, moet worden bepaald hoeveel de bijstand dient te worden verlaagd. Het percentage varieert van 10% verlaging van de bijstand gedurende een maand bij een gedraging van de eerste categorie tot en met 100% verlaging van de bijstand bij een gedraging van de vierde categorie. Individualisering Een maatregel moet worden afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden. Van het opleggen van een maatregel wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. 4 Recidive Bij recidive gaat het om meerdere maatregelwaardige gedragingen (er hoeft niet daadwerkelijk een maatregel te zijn opgelegd, bijv. om dringende reden) binnen de voorafgaande 12 maanden. Van recidive is alleen sprake als de verwijtbare gedraging van een gelijke of hogere categorie is. Bij recidive wordt de periode van de maatregel verdubbeld.

Rechtspraak bij dit artikel