Indien er sprake is van een opname in een inrichting zal voor de duur van de peilmaand plus de daarop volgende maand de actuele bijstandsnorm gehandhaafd blijven. Daarna volgt de omzetting naar de norm zak- en kleedgeld (artikel 23 WWB). Uiteraard geldt een dergelijke omzetting ook daar waar sprake is van de gezinsnorm en één van de partners wordt opgenomen. Gelijktijdig met de omzetting van de norm dient een beoordeling gemaakt te worden van de doorgaande noodzakelijke niet uitstelbare vaste lasten, reserveringen enz. en zal zonodig bijzondere bijstand verstrekt moeten worden. Voorkomen moet worden dat door de normwijziging schulden ontstaan. Van geval tot geval dient de noodzaak te worden
vastgesteld.
Voor een indicatie wanneer de klant terug naar huis kan keren kan contact opgenomen worden met de behandelend specialist. Als uitgangspunt geldt dat er maximaal voor de duur van zes maanden bijzondere bijstand wordt verstrekt voor de kosten van het aanhouden van de woning, dus dat vast moeten komen te staan dat de klant binnen zes maanden terug zal kunnen keren. Het betreft dan in ieder geval de volgende kosten:
de kosten van de woninghuur;
de kosten van het maandelijkse termijnbedrag voor levering van energie en water;
de kosten van de inboedelverzekering.
Na zes maanden kan de bijzondere bijstand nog eenmaal verlengd worden met drie maanden indien de behandelend specialist hiertoe een indicatie afgeeft. Als in de tussentijd wordt vastgesteld dat terugkeer naar de woning langer gaat duren of helemaal niet meer mogelijk is, wordt aan de klant 1 kalendermaand de tijd gegeven om de vaste lasten op te zeggen. Daarna wordt de bijzondere bijstand in ieder geval beëindigd.
Hoofdstuk 10.
Artikel 10.1.2
Huur en vaste lasten tijdens opname inrichting (geen TBS)
Onderdeel van beleidsregel bijzondere bijstand