Het aflossingsbedrag en de duur van de aflossing worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende (artikel 51 lid 2 WWB). De aflossingscapaciteit wordt bepaald op 5% van de toepasselijke bijstandsnorm en de gemeentelijke toeslag inclusief vakantietoeslag. Dit geldt zowel voor de lening als de leenbijstand. Daarmee wordt aangesloten bij de gehanteerde richtlijnen van de Nederlandse
Vereniging voor Volkskrediet (NVVK).
Bedraagt het inkomen meer dan de bijstandsnorm en de gemeentelijke toeslag inclusief vakantiegeld, dan wordt de maandelijkse aflossingscapaciteit van de geldlening vastgesteld op het percentage dat door de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet wordt gehanteerd bij aflossing van geldleningen.
Zowel bij een geldlening van een bank als bij leenbijstand wordt de aflossingstermijn bepaald op ten hoogste 36 maanden. De aflossingstermijn kan op meer dan 36 maanden worden gesteld, als de leenbijstand is verstrekt als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.02
Aflossing lening of leenbijstand
Onderdeel van beleidsregel bijzondere bijstand