Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 5.

Artikel 5.02

Toeslag voormalige alleenstaande ouder

Onderdeel van beleidsregel bijzondere bijstand

Als in een gezin van een alleenstaande ouder het laatste in de gezinsbijstand begrepen kind 18 jaar wordt en dus niet meer ten laste van de ouder komt, heeft de ouder niet langer aanspraak op het normbedrag voor een alleenstaande ouder maar op het normbedrag voor een alleenstaande. Het is meestal zo dat bij zo’n normwijziging het kind bij de ouder blijft inwonen en er sprake is van een daling in het inkomen van de alleenstaande ouder. Als er sprake is van een daling in inkomen wordt gedurende maximaal 12 maanden een toeslag toegekend. Deze toeslag bedraagt de eerste drie maanden 100% van de toeslag als bedoeld in art 25, lid 2 van de WWB. Vervolgens wordt de garantietoeslag per 3 maanden afgebouwd tot respectievelijk 75%, 50% en 25% van de toeslag. Deze toeslag wordt alleen verleend indien het inwonende kind een opleiding volgt, werk of vrijwilligerswerk heeft, een werkleeraanbod heeft aangevraagd/toegekend heeft gekregen of aantoonbaar niet in staat is om onderwijs te volgen, werk of vrijwilligerswerk uit te voeren of een werkleeraanbod aan te vragen (denk bijvoorbeeld aan Wajong). Deze toeslag wordt niet verleend als het kind over dezelfde periode een inkomen ontvangt wat meer bedraagt dan het normbedrag voor de kosten van levensonderhoud voor hoger onderwijs, genoemd in artikel 3.18 van de Wet studiefinanciering 2000.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel