Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7.

Artikel 7.02

Reiskosten schoolgaande kinderen hoger of beroepsonderwijs

Onderdeel van beleidsregel bijzondere bijstand

Voor klanten met kinderen die een opleiding volgen die niet in de woonplaats gevolgd kan worden, kan bijzondere bijstand verstrekt worden voor de hiermee gepaard gaande reiskosten omdat de WTOS niet als passende voorliggende voorziening kan worden aangemerkt. Er moet dan wel vast komen te staan dat er geen (vergelijkbare) opleiding in de woonplaats gevolgd kan worden en dit niet het gevolg is van een te late inschrijving. Kinderen die hbo of universitair onderwijs gaan volgen en die op of na 1 juli nog geen 18 jaar zijn, komen vanaf de eerste van het kwartaal volgend op de start van de opleiding wel in aanmerking voor een OV-studentenkaart. Dit betekent in de meeste gevallen dat er vanaf 1 oktober (start opleiding september) wel recht bestaat op een OV-studentenkaart. Voor die kinderen kan er dan ook tot die datum bijzondere bijstand worden toegekend. Kinderen die mbo gaan volgen hebben recht op een OV-jaarkaart vanaf de eerste dag van het kwartaal na de datum dat zij 18 jaar zijn geworden. Voor die kinderen kan er dan ook tot die datum bijzondere bijstand worden toegekend. Voor de hoogte van de bijzondere bijstand wordt uitgegaan van de goedkoopst mogelijke adequate oplossing op basis van openbaar vervoer. Voor de berekening kan dan ook rekening worden gehouden met vakanties, collegedagen en thuisstudiedagen, stages etc. Voor de kinderen die mbo gaan volgen en waarvoor de ouders een beroep kunnen doen op de WTOS houden wij verder rekening met het bedrag dat in de WTOS en het kindgebonden budget is opgenomen als tegemoetkoming voor de reiskosten (zie bedrag op www.ib-groep.nl). Alleen de meerkosten kunnen dan ook vergoed worden.

Rechtspraak bij dit artikel