In zijn algemeenheid behoren reis- en vervoerskosten naar het basis- of voortgezet onderwijs tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan en is afzonderlijke bijstandsverlening dan ook niet mogelijk.
Er is voor deze reiskosten geen specifiek gemeentelijk uitvoeringsbeleid van toepassing, omdat in de meeste gevallen geen sprake zal zijn van een onredelijk grote afstand die niet per fiets kan worden afgelegd. De klant moet deze kosten dan ook uit het eigen inkomen voldoen. Daarnaast geldt dat ook de kinderbijslag, het kindgebonden budget en de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (WTOS) voor deze kosten gelden als passende en toereikende voorliggende voorzieningen. Ook een bijdrage op grond van de Verordening leerlingenvervoer geldt als een passende voorliggende voorziening. Voor de bijdrage is vereist dat sprake is van speciaal onderwijs of van een medische, verstandelijke of zintuiglijke handicap. Alleen als een kind vanwege zeer bijzondere omstandigheden niet op de fiets naar school kan en er geen beroep kan worden gedaan op een passende en toereikende voorliggende voorziening kan bijzondere bijstand verstrekt worden voor deze kosten. Er moet dan wel een medisch advies opgevraagd worden om vast te stellen dat het kind inderdaad niet in staat is om op een andere manier naar school te reizen.
Hoofdstuk 7.
Artikel 7.03
Reiskosten schoolgaande kinderen basis- of voortgezet onderwijs
Onderdeel van beleidsregel bijzondere bijstand