Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › Paragraaf 2

Artikel 7.4

Verbodsbepaling

Onderdeel van Erfgoedverordening Leudal 2011

1.. Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch verwachtingszone het archeologische bodemarchief te beschadigen of te vernielen. 2.. Voor zover door de gemeenteraad geen bestemmingsplan als bedoeld in artikel 7.3a is vastgesteld, is het verboden om zonder of in afwijking van een vergunning als bedoeld in artikel 2.2 lid 1 sub b van de Wabo in een op de gemeentelijke archeologische beleidskaart aangegeven verwachtingszone: met waarde archeologie 2, over een oppervlakte 30 m2; met waarde archeologie 3, over een oppervlakte 100 m2 met waarde archeologie 4, over een oppervlakte 250 m2 met waarde archeologie 5, over een oppervlakte 1000 m2 met waarde archeologie 6, over een oppervlakte 2500 m2 met waarde archeologie 7, over een oppervlakte 10.000 m2 grondwerk te verrichten op een grotere diepte dan 40 centimeter onder het maaiveld; 3.. Het verbod, als bedoeld in lid 2 van dit artikel, is niet van toepassing als één van de volgende gevallen zich voordoet: de werkzaamheden betreffen vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid; de werkzaamheden mogen op het tijdstip van in werking treden van deze verordening worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende bouwvergunning; de werkzaamheden zijn reeds in uitvoering op het tijdstip van in werking treden van deze verordening; de werkzaamheden behoren tot het normale gebruik, onderhoud en beheer van de gronden, voor zover deze binnen de regels van het vigerende bestemmingsplan zonder aanlegvergunning kunnen worden uitgevoerd; de werkzaamheden worden verricht zonder graafwerkzaamheden en zonder heiwerkzaamheden; de werkzaamheden worden uitgevoerd ten dienste van archeologisch onderzoek. de werkzaamheden dieper dan 40 cm onder het oorspronkelijk maaiveld bedragen niet meer dan 5% van het te bebouwen areaal bedragen en geen archeologische onroerende monumenten in situ raken. 4.. Het verbod en de vergunningplicht, als bedoeld in het tweede lid, gelden niet voor door het college vastgestelde ondergeschikte niet bodemverstorende werkzaamheden als aanvulling op het derde lid en voor ondergeschikte werkzaamheden waarvoor het college nadere uitvoeringsregels heeft vastgesteld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel