Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › Paragraaf 2

Artikel 7.5

De aanvraag om vergunning voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden in een archeologische verwachtingszone

Onderdeel van Erfgoedverordening Leudal 2011

1.. De aanvraag om vergunning, als bedoeld in artikel 7.4 van deze verordening en artikel 2.2 eerste lid sub b van de Wabo, voor het verrichten van grondwerkzaamheden of andere activiteiten in een archeologisch verwachtingszone, die het (archeologische) bodemarchief in enig opzicht zouden kunnen wijzigen of verstoren, dient vergezeld te gaan van de gegevens en bescheiden die zijn aangegeven in artikel 5.2 en 5.5 van de Mor. 2.. Ten behoeve van de gemotiveerde opgave of de verstoring is afgestemd op de kwaliteitseisen of uitvoeringsvoorschriften, zoals bedoeld in artikel 5.2 van de Mor, waaraan ten behoeve van de vergunningaanvraag moet worden voldaan, kan het bevoegd gezag een onderzoek van de aanvrager verlangen waaruit naar het oordeel van het college blijkt dat in voldoende mate is vastgesteld dat bij realisatie van de bodemingrepen: de archeologische waarden in voldoende mate zijn zeker gesteld; of er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of de archeologische waarden niet of niet onevenredig worden geschaad. De diepgang van dit onderzoek is afhankelijk van de aanwezige of te verwachten archeologische waarden en dient plaats te vinden overeenkomstig de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie. 3.. Het college van burgemeester en wethouders kunnen richtlijnen of beleidsregels vaststellen waarin is aangegeven bij welke van de in lid 2 bedoelde ingrepen welk soort onderzoek nodig is. 4.. Indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, zal het bevoegd gezag de aanvrager hiervan binnen een termijn van 4 weken na ontvangst van de aanvraag in kennis stellen en de aanvrager in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen. 5.. De termijn als bedoeld in artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht voor het aanvullen van de aanvraag als bedoeld in het eerste lid bedraagt, 4 weken. 6.. Indien door de samenloop met andere nog aan te vullen gegevens meer tijd nodig is, kan het bevoegd gezag voor het aanvullen van de gegevens een andere redelijke termijn bepalen en doet hiervan mededeling aan de aanvrager. 7.. Indien de gevraagde aanvullende gegevens als bedoeld in lid 4, niet tijdig of niet volledig worden ingediend, wordt de aanvraag niet in behandeling genomen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel