Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar
die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.
(Zie ook artikel 10:29 lid 1)
**1.** De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag
waarop het ontslag ingaat.
**2.** Indien de betrokkene:
in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan
het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer
als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
geweest of
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op
een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;
wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:
3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5
jaar;
0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10
jaar;
1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15
jaar;
1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20
jaar;
2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25
jaar;
2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30
jaar;
3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar,
en
4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40
jaar.
**3.** Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt
vastgesteld door samentelling van:
perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande
aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als
werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer
uren per week werkzaam te zijn geweest, en
de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de
betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het
ontslag.
**4.** Perioden, waarin een betrokkene:
recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op
grond van de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een
arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;
ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem
door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht
heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend
naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of
een toelage ontvangt die naar aard en strekking
overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al
dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van
de middelsom, waarnaar de
arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn
berekend;
een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de
Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen,
berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste
80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al
dan niet vermeerderd met de
arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van
het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering
is of zou zijn berekend;
na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering
ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale
duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die
wet;
een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking
overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d;
worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met
een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in
aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het
tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar,
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde
lid.
**5.** Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en
voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk
voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden
perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend
kind:
beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze
persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week
werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als
bedoeld in het vierde lid volledig; en
vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd
van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in
dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is
geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in
het vierde lid, voor de helft in aanmerking
genomen.
**6.** Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van
verzorging niet meegeteld de periode waarin:
de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een
wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op
een uitkering ter zake van werkloosheid, of
de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan
tijdens vakantie.
**7.** Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende
personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de
toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind
beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben
aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen
is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het
college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als
zodanig aan te wijzen.
**8.** Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt
onder:
een kind verstaan een eigen, aangehuwd of
pleegkind;
een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt
onderhouden en opgevoed.
**9.** De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid,
van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing.