Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of
arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari
2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)
**1.** Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden,
bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van
de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan
de duur wordt vastgesteld:
voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden
onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste
26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de
Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel
11:7;
voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten
minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het
ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het
bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding
geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van
toepassing artikel 11:8, vierde lid.
**2.** Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van
perioden waarin de betrokkene ten gevolge van
arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te
verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in
artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van
werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a,
bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de
perioden van de bedoelde verhindering.
**3.** De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in
aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de
dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of
meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking
in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in
aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.
**4.** Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld
weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft
ontvangen.
**5.** De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en
vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige
toepassing.
**6.** In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer
niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of
derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag
waarop de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats
heeft plaatsgehad.
**7.** Geen recht op uitkering bestaat:
indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een
WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid
van 80% of meer;
indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht
heeft op suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze
regeling;
indien de betrokkene op de dag van het ontslag de
leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;
indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te
wijten;
indien het ontslag naar het oordeel van het college
geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige
werkloosheid;
voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet
heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat
hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die
mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in
verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden
voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te
aanvaarden.
**8.** De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht
op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van
arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld
dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te
rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van
de uitkering wordt voor de toepassing van:
artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met
ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een
lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de
toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering,
in voorkomend geval vermeerderd met een
invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking
wordt genomen;
artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van
ontslag.
**9.** Het college beslist over de toekenning van uitkering op
aanvraag door de betrokkene.