**1.** De betrokkene die vanwege het dienstbelang de verplichting is
opgelegd om in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen,
zoals bedoeld in artikel 15:1:17 en daarin, ondanks alle
pogingen daartoe, niet slaagt heeft aanspraak op een vergoeding
van de kosten voor het dagelijks reizen tussen de woning en de
plaats van tewerkstelling, zolang hij bij de verhuizing in
aanmerking zou kunnen komen voor een tegemoetkoming in de
verhuiskosten.
**2.** Een betrokkene als bedoeld in het eerste lid, die naar het
oordeel van het bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan
reizen, heeft, tenzij van gemeentewege al dan niet tegen
betaling in huisvesting wordt voorzien, aanspraak op een
tegemoetkoming in de pensionkosten voor verblijf in een pension
in of nabij het gebied als bedoeld in artikel 15:1:17, benevens
een tegemoetkoming voor ten hoogste eenmaal per week in de
reiskosten naar de plaats waar hij metterwoon nog gevestigd
is.
**3.** Indien een betrokkene als bedoeld in het eerste en tweede lid,
naar het oordeel van het bevoegde gezag niet alles, wat
redelijkerwijs van hem mag worden verwacht, heeft gedaan om zo
spoedig mogelijk te verhuizen, komt hij niet langer in
aanmerking voor tegemoetkomingen als bedoeld in het eerste en
tweede lid.
**4.** Een betrokkene die een functie voor betrekkelijk korte duur
bekleedt of voor betrekkelijk korte duur elders is geplaatst en
als gevolg daarvan niet behoeft te verhuizen kan een
tegemoetkoming in de reiskosten als bedoeld in het eerste lid
worden verleend, dan wel een tegemoetkoming overeenkomstig het
tweede lid, indien de betrokkene naar het oordeel van het
bevoegde gezag niet dagelijks heen en weer kan reizen.